Strafrecht overig

Bezwaarschift inzake artikel 577b Sv: verzoeker beoogt kwijtschelding dan wel vermindering van het opgelegde…

Rechtbank Den Haag, 22 december 2017

Zaakgegevens

Op 22 december 2017 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 december 2017
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
09/755088-10
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2017:16771
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bezwaarschift inzake artikel 577b Sv: verzoeker beoogt kwijtschelding dan wel vermindering van het opgelegde ontnemingsbedrag wegens onvoldoende draagkracht. De rechtbank ziet in deze zaak dat de verzoeker thans nog bezig is met de afbetaling van het eerdere ontnemingsbedrag en dat verzoeker kennelijk het maximale doet om dat eerdere ontnemingsbedrag af te betalen. De ontneming waarop dit verzoekschrift ziet is al heel snel na het begin van executie daarvan ontvangen door de rechtbank en het is de rechtbank niet gebleken dat al is geprobeerd om een betalingsregeling te treffen met het CJIB. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst geen verdiencapaciteit heeft dan wel dat er anderszins geen mogelijkheden voor handen zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank wijst het verzoek af

Uitspraak

beslissing

[afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/755088-10 Kenmerk R.K: 17/3430

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken,

op het verzoekschrift ex artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

te dezer zake domicilie kiezende te 2200 AA Noordwijk, Postbus 6, ten kantore van advocaat mr. B. Beekman,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 18 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot kwijtschelding dan wel vermindering van de aan verzoeker bij vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2014 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling van een bedrag van €115.852,65.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer, alsmede het commentaar van het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden gedateerd 20 september 2017.

De rechtbank heeft op 12 december 2017 dit verzoekschrift in raadkamer behandeld. Verzoeker, bijgestaan door mr. B. Beekman, advocaat te Noordwijk, is in raadkamer gehoord.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verzoeker zo weinig verdient dat hij de ontnemingsvordering die hem in 2008 al is opgelegd met maar € 100,- per maand aflost en daarvan nog € 50.000,- openstaat. Daarnaast heeft verzoeker niet veel inkomen uit zijn bedrijf en is onlangs zijn hoofdmonteur overleden, waardoor inkomen genereren nog moeilijker is geworden. De raadsvrouw heeft bepleit dat er nu en in toekomst onvoldoende draagkracht is en zal zijn om de (tweede) ontnemingsvordering te betalen en verzoeker dus onmachtig is te betalen.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, nu het verzoekschrift al heel snel na het begin van de executie is binnengekomen en op dit moment nog niet gezegd kan worden dat er nu en in de toekomst geen draagkracht zal bestaan om de vordering (deels) te betalen.

Beoordeling van het bezwaarschrift.

De rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek.

Ingevolge artikel 577b, tweede lid, Sv., voor zover te dezen van belang, kan de rechter die de maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgelegd op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.

Verzoeker beoogt kwijtschelding dan wel vermindering te krijgen van het hem door de rechtbank bij vonnis van 29 oktober 2014 opgelegde ontnemingsbedrag van € 115.852,65 In het verzoekschrift wordt ter motivering hiervan aangegeven dat verzoeker onvoldoende draagkrachtig is het bedrag nu of in de toekomst te voldoen.

De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van het opgelegde ontnemingsbedrag, op verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aan te geven dat nu en in de toekomst geen draagkracht aanwezig is om het te betalen bedrag te voldoen. Dit criterium is erg streng, waardoor de rechtbank een heel beperkte beoordelingsruimte heeft.

De rechtbank ziet in deze zaak dat verzoeker nog bezig is met de afbetaling van het eerdere ontnemingsbedrag en dat verzoeker kennelijk het maximale doet om dat eerdere ontnemingsbedrag afte betalen.

Daartegenover staat dat dit verzoekschrift met betrekking tot de recente ontneming al heel snel na het begin van de executie daarvan is binnengekomen en dat nog niet is geprobeerd om met het CJIB hiervoor een betalingsregeling te treffen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker op dit moment onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu en in de toekomst geen verdiencapaciteit heeft dan wel dat er anderszins geen mogelijkheden voorhanden zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing.

De rechtbank wijst het verzoek af.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. H.N. Pabbruwe, rechter, in tegenwoordigheid van mrs.

A.A.M. Doomekamp en M. van Haalem, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2017.