Civiel recht overig

Eiseres vordert betaling van een schuldbekentenis, ondertekend door erflaatster. Uit de producties die…

Rechtbank Dordrecht, 13 oktober 2010

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2010 heeft de Rechtbank Dordrecht in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13 oktober 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
83381 / HA ZA 09-2727
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. F.S Landa, mr. P.G. Gilhuis
ECLI
ECLI:NL:RBDOR:2010:BO0359
E-mail

Samenvatting

Eiseres vordert betaling van een schuldbekentenis, ondertekend door erflaatster. Uit de producties die gedaagde heeft overgelegd , waarvan de inhoud onvoldoende door eiseres wordt betwist, blijkt dat deze schuldbekentenis een schijnovereenkomst is die is opgesteld om een andere - eveneens schijnschuldbekentenis - te neutraliseren.

Vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 83381 / HA ZA 09-2727

vonnis van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Dordrecht,

eiseres,

procesadvocaat: mr. F.S. Landa,

tegen

Erven van [moeder van eiseres en gedaagde], [gedaagde],

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. P.G. Gilhuis.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding van 12 oktober 2009,

conclusie van antwoord,

tussenvonnis van 30 december 2009 en de daarin genoemde stukken,

proces-verbaal van comparitie van 23 april 2010 en de daarin genoemde stukken,

de door beide partijen overgelegde producties,

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2 [eiseres] en [gedaagde] zijn zussen. Zij hebben nog een zus genaamd [zus 3]. Hun moeder, hierna te noemen [moeder], is op 27 december 2007 overleden. Zij heeft bij testament [zus 3] onterfd en [gedaagde] benoemd tot executeur testamentair. [eiseres] heeft bij akte opgemaakt op 7 maart 2008 de nalatenschap verworpen.

2.3 De onterving van dochter [zus 3] is door [moeder] als volgt verwoord in haar testament:

“Ik bepaal, dat mijn dochter [zus 3], voornoemd, niet meer uit mijn nalatenschap zal verkrijgen dan haar legitieme portie, zoals die zal worden berekend overeenkomstig de ten tijde van mijn overlijden geldende wet. Ik maak deze bepaling onder meer in verband met het feit, dat zij mij op 19 juli 2000 onder dwang en niet volgens de waarheid een schuldbekentenis heeft laten ondertekenen.”

2.4 Op 23 oktober 2000 heeft [moeder] aangifte gedaan tegen haar dochter [zus 3] van diefstal van een schilderij uit haar woning. In het proces-verbaal van aangifte verklaarde zij voorts als volgt over de gebeurtenis op 19 juli 2000:

“Op woensdag 19 juli 2000, omstreeks 19.00 uur werd de AAB (aangeefster/benadeelde; Rb.) door haar dochter [zus 3] op het kantoor van haar dochter Gevaertsweg 9 te Dordrecht, tegen haar wil vast gehouden.

De aangeefster is gedurende 3 uur tegen haar wil vastgehouden en maakte zeer angstige momenten door. Onder dwang moest aangeefster een schuldbekentenis tekenen. Het betreft een schuldbekentenis waar op staat geschreven dat [zus 3] recht heeft op een geldbedrag van ongeveer FL 20.000,- (Van 1982 t/m juli 2000 iedere werkdag FL 5,-.)

Dit voor de maaltijden die aangeefster de afgelopen jaren heeft genoten. Het genoemde bedrag is een schatting. (...)”

2.5 Op 3 maart 2001 schreef [moeder] de navolgende brief:

“[zus 3],

19 juli 2000 heb je mij in een woedevlaag en met vrijheidsberoving een briefje laten tekenen waarin ik vanaf 1982 tot en met 19 juli 2000 de genoten maaltijden (dus 18 jaar) moest betalen. Ik geloof dat dit op f 20.000,- kwam. Aangezien ik goed nagedacht, niet 18 jaar die maaltijden gehad heb, maar onder bedreiging schrijf je maar.

Tevens in een boze bui heb je op 16 mei 2000 een schilderij meegenomen, wat niet van jou alleen was, wat ik ook niet wilde.

Nu ben je blij dat we contact hebben.

Je zei dat je blij was dat ik nog leefde.

Toon dat en geef dat briefje en schilderij weer terug, anders kan ik die blijdschap moeilijk geloven.

Je moeder

Schrijf dan op dat briefje dat dat ongedaan is gemaakt.”

2.6 Na het overlijden van [moeder] diende de woning waarin zij verbleef en die eigendom was van de drie zussen, te worden verkocht. Teneinde de medewerking van [zus 3] af te dwingen, hebben [eiseres] en [gedaagde] zich tot een advocaat gewend. Bij brief van 10 juni 2009 schreef deze advocaat, mr. J.C. Moree aan [eiseres] onder meer het navolgende:

“Vooralsnog rept [zus 3] niet over de onder dwang door erflaatster ondertekende schuldbekentenis. Cliënte zal als executeur-testamentair de schuldbekentenis niet als een vordering in de nalatenschap erkennen, verwezen wordt naar de destijds door uw moeder bij de politie gedane aangifte van 18 mei en 19 juli 2000.

Ik heb destijds zowel van u als van mevrouw Van der Kamp begrepen dat zij en u in overleg met uw moeder eveneens een schuldbekentenis van f 20.000,- zouden opstellen, met het uitsluitende doel om tegenwicht te bieden aan de door [zus 3] beweerde verleende diensten c.a. aan haar moeder voor een bedrag van f 20.000,-, voorzover [zus 3] deze schuldbekentenis ooit zou presenteren en op betaling van de beweerde schuld zou staan. In werkelijkheid is er niet sprake geweest van verstrekte geldleningen of te vergoeden maaltijden c.q. diensten, noch door erflaatster, noch door u en cliënte.”

3. De vordering

3.1 [eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te voldoen een bedrag ad € 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2009, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2 [eiseres] stelt dat haar moeder, [moeder], op 26 januari 2003 een schuldbekentenis heeft laten opstellen en deze heeft ondertekend. [moeder] heeft hierbij een schuld erkend van

€ 20.000,- voor de verzorging, in het bijzonder het bereiden van maaltijden en verplaatsing met de auto, vanaf 1980. In de schuldbekentenis is vastgelegd dat de schuld met rente en kosten, dadelijk opeisbaar is bij het overlijden van [moeder].

[eiseres] vordert dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur-testamentair van de nalatenschap van [moeder] overgaat tot uitbetaling uit de nalatenschap van de vordering uit hoofde van schuldbekentenis.

Het verweer

3.3 De conclusie van [gedaagde] strekt primair tot nietigverklaring van de dagvaarding en subsidiair tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

Zij voert als verweer het volgende aan.

3.3 De dagvaarding moet nietig worden verklaard omdat hieruit niet blijkt of [gedaagde] in privé is gedagvaard dan wel in haar hoedanigheid van executeur-testamentair van de uiterste wilsbeschikking van [moeder].

[gedaagde] stelt voorts dat de vordering moet worden afgewezen omdat de schuldbekentenis, die [eiseres] in de procedure heeft gebracht, conform het bepaalde in artikel 158 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering hierna Rv., geen dwingend bewijs kan opleveren van de waarheid van de daarin opgenomen verklaring omdat die niet voorzien is van een goedschrift. De verklaring bevat dan ook niet de waarheid. Er is geen sprake van een onderliggende overeenkomst waarbij [moeder] zou moeten betalen voor maaltijden en vervoer.

De schuldbekentenis is een schijnovereenkomst waaraan geen enkel rechtsgevolg behoort te worden verbonden. Het stuk is enkel en alleen opgesteld met het doel om tegenwicht te kunnen bieden aan de schuldbekentenis die [moeder] enige jaren daarvoor onder dwang van [zus 3] had moeten tekenen.

[gedaagde] is in het bezit van een identieke schuldbekentenis, zij het dat [moeder] ten opzichte van haar een bedrag schuldig heeft erkend van € 50.000,-.

Beide schuldbekentenissen zijn opgesteld naar het model van de schuldbekentenis die [zus 3] nog immer in haar bezit had, omdat [moeder] er niet gerust op was dat [zus 3] haar vermeende rechten na haar dood niet zou opeisen.

[eiseres] heeft deze gang van zaken niet alleen erkend ten overstaan van mr. J.C. Moree maar ook ten overstaan van mr. B.H.J.M. van der Meer, de notaris die door partijen is ingeschakeld voor de afwikkeling van de nalatenschap. [gedaagde] verwijst naar een brief van 8 april 2010 van deze notaris gericht aan haar advocaat waarin hij schrijft dat tijdens de gesprekken bij hem op kantoor na het overlijden van [moeder], [eiseres] en [gedaagde] hem hadden verteld dat [moeder] ook voor beide andere dochters een schuldbekentenis had getekend voor het geval zus [zus 3] de vordering zou opeisen.

3.4 De verdere stellingen en weren van partijen komen hierna aan de orde voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel. 53 Rv. kan bij een betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene vermelding van hun namen en woonplaatsen achterwege blijven onder meer indien deze geschiedt aan de persoon van een executeur.

De dagvaarding is uitgebracht aan de erven van [moeder], mevrouw W.C.A. van de Kamp-Robart. [gedaagde] is behalve erfgenaam ook executeur-testamentair. De vermelding van deze laatste hoedanigheid is wel in het lichaam maar niet in de kop van de dagvaarding opgenomen.

Voor zover het achterwege blijven van de vermelding van haar hoedanigheid van executeur-testamentair als een gebrek moet worden beschouwd, wordt overwogen dat [gedaagde] hierdoor niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Zij is enig overgebleven erfgenaam nu [eiseres] de nalatenschap heeft verworpen en [zus 3] slechts is aan te merken als legitimaris. [gedaagde] is bovendien in het geding verschenen en niet gesteld of gebleken is dat zij een rechtens te respecteren belang heeft bij nietigverklaring van de dagvaarding. Het beroep daarop zal worden verworpen.

4.2 Nu de schuldbekentenis, als onderhandse akte waarop [eiseres] haar vordering baseert, niet is voorzien van een goedschrift en evenmin geheel met de hand is geschreven als bedoeld in artikel 158 Rv., levert de inhoud ervan geen dwingend bewijs op tussen partijen van de waarheid van die schuldbekentenis.

[gedaagde] heeft de waarheid van die akte gemotiveerd betwist. Zij heeft onder meer verwezen naar het testament van [moeder], de inhoud van een handgeschreven verklaring van [moeder], de brief van mr. Moree die door partijen gezamenlijk kort na het overlijden van [moeder] was ingeschakeld, het feit dat ook zijzelf over een schuldbekentenis beschikt met een vrijwel identieke inhoud en de brief van notaris Van der Meer. Afschriften zijn als producties in het geding gebracht.

4.3 Weliswaar heeft [eiseres] de juistheid van het verweer van [gedaagde] ter comparitie ontkend, maar zij heeft daarbij geen feiten en omstandigheden gesteld die haar stelling onderbouwen dat [moeder] met haar betaling voor maaltijden en vervoer is overeengekomen. Zij heeft volstaan met een blote ontkenning terwijl het op haar weg had gelegen om op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] in te gaan. Haar mededeling dat de advocaat, mr. Moree, een slecht geheugen heeft en dat de notaris, Van der Meer, slechts een vlotte afwikkeling van de nalatenschap voor ogen staat, kan immers niet als een voldoende betwisting worden gezien van hetgeen namens [gedaagde] is gesteld. Hiervoor zijn de feiten en omstandigheden die [gedaagde] aan haar betwisting ten grondslag legt te omvangrijk, te specifiek en zij zijn bovendien onderling overeenstemmend.

Op grond van de overgelegde producties in onderling verband en samenhang bezien moet daarom als vaststaand worden aangenomen dat de schuldbekentenis waarop [eiseres] zich thans beroept een schijnovereenkomst betreft die is opgesteld om indien nodig een andere, eveneens schijnschuldbekentenis, te neutraliseren.

4.4 Het bovenstaande brengt mee dat met de ondertekening van de schuldbekentenis er geen rechtshandeling tot stand is gekomen die het door [eiseres] beoogde rechtsgevolg zou moeten hebben. Duidelijk is immers dat de op dat rechtsgevolg gerichte wil niet bij [moeder] aanwezig is geweest en dat dit aan [eiseres] ook kenbaar is geweest.

De vordering van Lieftinck zal derhalve worden afgewezen.

4.5 Hetgeen partijen over en weer verder nog hebben aangevoerd, kan als niet (meer) ter zake dienend onbesproken blijven.

4.6 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 904,- aan salaris van de procureur en € 440,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 oktober 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.