Belastingrecht
Wet WOZ. Gemachtigde [naam]. Tweede keer beroep ingesteld, jaren na intrekking eerste beroep. Niet…
Rechtbank Gelderland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7938 · Rechtbank Gelderland · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2026-7938
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 24/4348
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7938
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet WOZ. Gemachtigde [naam]. Tweede keer beroep ingesteld, jaren na intrekking eerste beroep. Niet ontvankelijk. Verzoek vergoeding immateriële schade afgewezen, omdat de termijn is geëindigd bij intrekking van het eerste beroep.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4348
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van BSR, de heffingsambtenaar.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 januari 2021. In het beroepschrift is aangevoerd dat de heffingsambtenaar eerder heeft erkend dat de hoorplicht was geschonden en dat dit meebrengt dat na het horen een nieuwe uitspraak op bezwaar had moeten worden gedaan. Gelet op de verstuurde ingebrekestelling had volgens belanghebbende bovendien een dwangsombesluit moeten worden genomen.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Beide partijen hebben zich hiermee akkoord verklaard. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en heeft zij de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
Beroepsprocedure onder het zaaknummer AWB 21/1171
1. Op 1 maart 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 januari 2021. Die uitspraak op bezwaar ziet op het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking voor belastingjaar 2019. De rechtbank heeft het beroep destijds ingeschreven onder het zaaknummer AWB 21/1171.
2. Op 6 mei 2021 heeft de heffingsambtenaar per brief aan de rechtbank laten weten dat uit nader onderzoek is gebleken dat in de bezwaarfase onterecht geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft daarbij verklaard een hoorzitting in te plannen en de kosten voor het griffierecht en voor de rechtsbijstand voor de indiening van het beroepschrift te vergoeden. In de brief van de heffingsambtenaar staat het volgende vermeld:
“U heeft BSR uitgenodigd een verweerschrift in te dienen inzake het door [bedrijf] (hierna: gemachtigde), namens [belanghebbende] te [plaats] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep tegen mijn uitspraak op het ingediende bezwaarschrift.
Uit nader onderzoek is gebleken dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.
Vanwege het feit dat er naar mijn mening in essentie geen sprake meer is van een geschil zal door mij verder geen verweerschrift worden ingediend.
Na bericht van u over de verder afhandeling van de onderhavige procedure zal ik een hoorzitting in plannen, alsmede de kosten voor het griffierecht vergoeden alsmede een kostenvergoeding rechtsbijstand voor het indienen van beroep.
Ik hoop u met hetgeen hiervoor is vermeld en voor dit moment naar behoren te hebben
geïnformeerd.”
3. Naar aanleiding van de brief van de heffingsambtenaar heeft belanghebbende per brief van 17 mei 2021 het beroep ingetrokken en aan de rechtbank het verzoek gedaan om de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen.
4. Op 16 december 2021 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het verzoek van belanghebbende om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft in die uitspraak een proceskostenvergoeding van € 267 aan belanghebbende toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Beroepsprocedure onder het zaaknummer AWB 24/4348
5. Op 19 juni 2024 heeft belanghebbende opnieuw beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 januari 2021. Belanghebbende geeft als reden voor het beroep dat de heffingsambtenaar niet opnieuw uitspraak op bezwaar heeft gedaan en, ondanks de door belanghebbende verstuurde ingebrekestelling, geen dwangsombesluit heeft genomen.
6. Op 8 mei 2026 heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende digitale bericht verstuurd aan de gemachtigde van belanghebbende:
“Verder verzoekt de rechtbank u om binnen twee weken schriftelijk te reageren op het digitale bericht van de heffingsambtenaar van 18-02-2026. Kunt u daarbij helder uiteenzetten waarom u meent recht te hebben op een hogere proceskostenvergoeding dan de vergoeding die is toegekend in de uitspraak van 16 december 2021 in zaaknummer AWB 21/1171 (die over dezelfde zaak gaat voor belastingjaar 2019)? En waarom u meent dat opnieuw beroep open staat, terwijl het beroep destijds is ingetrokken en in de uitspraak van de rechtbank ook niets staat over schending van het hoorrecht en terugwijzing naar de bezwaarfase?”
7. Op 12 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende, voor zover relevant, de volgende reactie gegeven op het bericht van de rechtbank:
“U verzoekt ons om aan te geven waarom de proceskostenvergoeding in de eerdere uitspraak
op beroep niet hoog genoeg is. Echter, dat is niet waar ik op doelde. Ik doel op het volgende
Het betreft hier nog een oud belastingjaar en een oude procedure. De bepalingen in het BBP
zijn in de jurisprudentie, zoals ik eerder aangaf, discriminatoir verklaard voor wat betreft het
onderscheid tussen WOZ-zaken en niet WOZ-zaken voor zowel bezwaar als beroepsprocedures. De proceskostenvergoeding dient dan ook hoger te zijn dan wat er destijds in de bbp stond en ook hoger dan wat ze tegenwoordig geven doordat ze tegenwoordig de proceskostenvergoeding vermenigvuldigen met een factor die veel minder is dan 1 op basis van weer een nieuwe bepaling (na 1 januari 2024).
Nadat in de eerdere beroepsprocedure is bepaald dat er als het ware terug wordt verwezen naar de bezwaarfase, is er nooit een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan door de BSR. Wij hebben zelfs een ingebrekestelling gestuurd maar nooit een nieuwe uitspraak op bezwaar
ontvangen (zie ook ons beroepschrift van 19-6-2024).”
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid van het beroep
9. Belanghebbende heeft het (eerste) beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 januari 2021 ingetrokken bij brief van 17 mei 2021. Belanghebbende heeft daarbij wel aan de rechtbank het verzoek gedaan om de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank heeft op 16 december 2021 uitspraak gedaan op dat verzoek en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in een proceskostenvergoeding ten bedrage van € 267. In reactie op het bericht van de rechtbank van 8 mei 2026 (zie punt 6.), stelt de gemachtigde van belanghebbende dat de zaak ‘als het ware is teruggewezen naar de bezwaarfase’ (zie punt 7.). Dat is echter onjuist. Van een vernietiging van de uitspraak op bezwaar van 18 januari 2021 en van een terugwijzing naar de bezwaarfase is geen sprake geweest, omdat gemachtigde het beroep heeft ingetrokken. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende geen hoger beroep ingesteld en inmiddels is de hoger beroepstermijn ook al ruim verstreken. Dit brengt mee dat de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2021 formele rechtskracht heeft. Daarmee hebben ook de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 januari 2021 en de WOZ-beschikking ten aanzien van het belastingjaar 2019 formele rechtskracht. Bij deze stand van zaken kan belanghebbende niet opnieuw beroep instellen tegen de uitspraak op bezwaar van 18 januari 2021. Ook kan hij geen beroep instellen wegens het niet opnieuw doen van uitspraak op bezwaar. Evenmin kan sprake zijn van een beroep tegen het uitblijven van een dwangsombesluit.
10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk. De omstandigheid dat de Hoge Raad inmiddels beslissingen heeft genomen die meebrengen dat hogere bedragen gelden voor de (proces)kostenvergoeding in bezwaar en beroep, maakt dit oordeel niet anders. Herstel van het door de rechtbank toegekende bedrag aan proceskostenvergoeding is namelijk alleen mogelijk door hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2021 en dat is niet gebeurd.
Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
11. Belanghebbende heeft op 19 juni 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
12. Omdat de redelijke termijn is geëindigd door het intrekken van het eerste beroep op 17 mei 2021, kan bij dit tweede beroep van 19 juni 2024 tegen dezelfde uitspraak op bezwaar geen sprake zijn van het herleven of doorlopen van de redelijke termijn. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 14 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
|
griffier |
rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.