Belastingrecht

Relatieve bevoegdheid rechtbank. Ontvankelijkheid bezwaarschrift. Schending hoorplicht?

Rechtbank Gelderland, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/2951
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8049
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Relatieve bevoegdheid rechtbank. Ontvankelijkheid bezwaarschrift. Schending hoorplicht?

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/2951


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 september 2026

in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] ( [land] ), belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 september 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV; [aanslagnummer] ; de aanslag) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.684.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 277 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de boetebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen gemachtigde en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2]
[persoon 2] .

Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer 25/2922.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1944.

2. Belanghebbende woonde meer dan 20 jaren in Zuid-Afrika en is sinds 2019 buitenlands belastingplichtig, omdat hij inkomen ontvangt uit Nederland, namelijk een AOW-uitkering, pensioenuitkering van het ABP en een lijfrente-uitkering van Nationale Nederlanden Levensverzekeringen Maatschappij N.V. Op grond van artikel 17 van het belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen Zuid-Afrika en Nederland komt het volledige heffingsrecht over dit inkomen toe aan Nederland.

3. De ambtshalve aanslag IB/PVV 2020 heeft als dagtekening 10 augustus 2022. Op 14 juni 2023 is de aangifte op papier ingediend. Op 25 juli 2023 is bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaar is op 11 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.

4. Het beroepschrift van 3 juli 2025 is op 4 juli 2025 door de rechtbank ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of zij relatief bevoegd en of het beroep ontvankelijk is. Indien dat het geval is, beoordeelt zij of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Mocht de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van het beroep toekomen, dan beoordeelt zij of de hoorplicht is geschonden en of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is de rechtbank Gelderland in deze zaak relatief bevoegd?

7. Belanghebbende is woonachtig in Zuid-Afrika. De uitspraak op bezwaar is gedaan door de Belastingdienst, kantoor Heerlen. In dat geval is de rechtbank Zeeland-West-Brabant relatief bevoegd om deze zaak te behandelen. Gelet op proceseconomische redenen behandelt de rechtbank Gelderland onderhavige zaak toch zelf. Het beroep is immers al meer dan een jaar geleden ingesteld en doorzenden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant zou nog meer vertraging opleveren. Mocht een van de partijen (of beide) hoger beroep instellen, dan kan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op grond van artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.

Is het beroep inzake de aanslag ontvankelijk?

8. De inspecteur geeft in zijn verweerschrift aan dat het hier gaat om een handmatig verstuurde uitspraak op bezwaar en dat hij om die reden geen bewijs van verzending kan leveren. Hij acht het beroep daarom tijdig ingesteld. De rechtbank sluit zich hierbij aan en verklaart het beroep ontvankelijk.

Heeft de inspecteur het bezwaarschrift inzake de aanslag terecht niet-ontvankelijk verklaard?

9. Volgens belanghebbende is het bezwaar ontvankelijk. De Belastingdienst heeft bij voortduring de herinnering, de aanmaning, de aanslag en het dwangbevel aan het verkeerde adres gezonden, terwijl het postadres bij de Belastingdienst bekend was. Mogelijk is er sprake geweest van een misverstand tussen de gemeente en de Belastingdienst met betrekking tot het woonadres en het postadres van belanghebbende. Hij heeft geen bemoeienis gehad met het vervallen van het postadres in 2009 en dat kan hem ook niet worden verweten. Het juiste postadres was bovendien goed vindbaar, want immers bekend bij de uitkeringsinstanties, zoals de SVB en het ABP, die een renseigneringsverplichting hebben en loonheffing afdragen.

10. De inspecteur is van mening dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De definitieve aanslag IB 2019 is verzonden aan het adres [adres] [plaats] (Zuid-Afrika). Dit adres is door de gemeente Berg en Dal in de basisregistratie personen (BRP) verwerkt. De inspecteur heeft de aanslag verzonden naar dit adres, bij het ontbreken van een verplicht toezend- of postadres. Belanghebbende stelt dat hij deze aanslag niet heeft ontvangen, dus ligt het in beginsel op de weg van het bestuursorgaan om de verzending aannemelijk te maken. De verzending wordt niet betwist, enkel de ontvangst van de aanslag. Als de correspondentie belanghebbende niet bereikt omdat hij de Belastingdienst niet op de hoogte heeft gesteld van het juiste adres, dan komt het niet ontvangen van die correspondentie voor rekening en risico van belanghebbende. Het niet actueel houden van het adres is niet verschoonbaar. Juist van een buitenlands belastingplichtige mag verlangd worden dat hij de inspecteur van het juiste adres voorziet. Het ligt niet op de weg van de inspecteur om bij andere instanties navraag te doen naar het adres van belanghebbende zonder dat er twijfel bestond over de juistheid van het adres. De inspecteur is van mening dat de aanslag op de juiste wijze is bekend gemaakt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De aangifte is op 14 juni 2023 ontvangen en het bezwaar eerst op 25 juli 2025. Belanghebbende heeft het bezwaar niet zo spoedig mogelijk (binnen zes weken) na het bekend worden van de aanslag ingediend. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de inspecteur.

11. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.

12. Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van overschrijding van de bezwaartermijn achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

13. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de onderhavige - aan het bij de Belastingdienst bekende adres gerichte - uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de ambtshalve vastgestelde aanslag IB/PVV ter verzending is aangeboden. Dit rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanslag op het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de ontvangst of aanbieding van de aanslag op het adres van belanghebbende redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om zorg te dragen voor een adres waarop hij post kan ontvangen, zeker wanneer hij in het buitenland woonachtig is. Wanneer hij een adres gebruikt waarop hij niet goed bereikbaar is of dat niet meer gebruikt wordt, komt dit voor zijn eigen rekening. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld, noch van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Heeft de inspecteur verzuimd om belanghebbende te horen?

14. Belanghebbende stelt in zijn beroepschrift niet in de gelegenheid te zijn geweest om te worden gehoord.

15. De inspecteur geeft in zijn uitspraak op bezwaar aan dat de gemachtigde van belanghebbende niet is gehoord, omdat er geen twijfel over bestond dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

16. Op grond artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord en stelt de heffingsambtenaar daarvan belanghebbende op de hoogte. Op grond van artikel 7:3, onder a, kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was en mocht hij afzien van de hoorplicht. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden.

Is de verzuimboete terecht vastgesteld?

17. Nu de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en daarmee het beroep ongegrond is, komt zij niet toe aan de beoordeling of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

18. Belanghebbende verzoekt eerst in zijn beroepschrift om toekenning van een immateriële schadevergoeding als de behandeling in eerste aanleg langer dan twee jaar duurt.

19. De inspecteur geeft aan dat het enkel om de verzuimboete gaat. De jurisprudentie inzake de immateriële schadevergoeding is daarom niet van toepassing. Het gaat in casu om een verzuimboete van € 385 dus ruim minder dan € 1.000, zodat de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, volstaat. Eveneens bestaat er geen recht op een immateriële schadevergoeding, aldus de inspecteur.

20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 25 juli 2023 ontvangen. Sinds de indiening van het bezwaarschrift is een periode van afgerond drie jaar en twee maanden verstreken. In belastinggeschillen geldt in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. Hieruit volgt dat de redelijke termijn met afgerond een jaar en twee maanden is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen.

21. Nu het financiële belang van deze zaak en de samenhangende zaak (zaaknummer 25/2922) tezamen € 770 bedraagt en daarmee onder € 1.000 blijft, volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag, de belastingrentebeschikking en boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van immateriële schade. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. den Blaauwen-Jansen, griffier.

Uitgesproken op 2 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030,
6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De inspecteur verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.1. De inspecteur verwijst o.a. naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1034. De inspecteur verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.5. Zie par. 3.3 tot en met 3.7 van het verweerschrift. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875. Zie de uitspraak gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2659. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3. ECLI:NL:HR:2016:252. ECLI:NL:HR:2024:853. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.