Bestuursprocesrecht

voorlopige voorziening, Participatiewet, geen connex bezwaar, kennelijk niet-ontvankelijk

Rechtbank Gelderland, 22 juni 2026

Zaakgegevens

Op 22 juni 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2751
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:4923
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

voorlopige voorziening, Participatiewet, geen connex bezwaar, kennelijk niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/2751


uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen lopende inhoudingen, vorderingen en kortingen op de uitkering (Participatiewet) van verzoekster.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Voldoet het verzoek aan het formele connexiteitsvereiste?

2. Een verzoek om een voorlopige voorziening is alleen ontvankelijk als er bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is tegen een besluit van een bestuursorgaan. Dit is het zogenaamde formele connexiteitsvereiste. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of een bezwaar aanhangig is.

2.1.

Verzoekster stelt dat het college ten onrechte kortingen uitvoert op haar uitkering, waardoor zij in een acute financiële noodsituatie verkeert. Zij verzoekt dat het college per direct alle lopende inhoudingen, vorderingen en kortingen beëindigt, dat er een aanvulling komt tot de gehuwdennorm, dat er een volledige terugbetaling plaatsvindt en dat een spookschuld wordt kwijt gescholden.

2.2.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verzoekster heeft een aantal besluiten overgelegd, maar niet gebleken is dat tegen een van deze besluiten een bezwaar is ingediend wat nog aanhangig is. Het laatste besluit dateert van 4 maart 2026, maar verzoekster heeft haar bezwaar tegen dat besluit op 10 maart 2026 ingetrokken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in de brief ‘ingebrekestelling’ van verzoekster ook geen bezwaarschrift worden gelezen, nog daargelaten dat niet duidelijk is tegen welk concreet besluit (waar nog bezwaar tegen open staat) dat is gericht. Nu geen bezwaar aanhangig is, is er geen sprake van formele connexiteit als bedoeld onder 2. Dit betekent dat verzoekster de voorzieningenrechter ook niet kan vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat het verzoek niet voldoet aan het connexiteitsvereiste, is het daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.