Civiel recht overig

Invulformulier voor publicatie uitspraken ECLI (in te vullen door degene die anonimiseert) Datum van de…

Rechtbank Gelderland, 31 mei 2017

Zaakgegevens

Op 31 mei 2017 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
31 mei 2017
Datum publicatie
31 mei 2017
Zaaknummer
5563459
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2017:2938
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Invulformulier voor publicatie uitspraken

ECLI

(in te vullen door degene die anonimiseert)

Datum van de uitspraak

31 mei 2017

Zaaknummer

5563459 / 16-19200

Naam zaak

Hodge – GSBB

Rubriek (gelieve één rubriek te kiezen: arbeid, huur, kanton overig) Kanton overig

Uitspraak reeds rechtstreeks ter publicatie aangeboden Nee

Kop (maximaal 10 woorden)

Niet in strijd gehandeld met hetgeen van een zorgvuldig handelend bewindvoerder verwacht mag worden.

Wetsverwijzingen

Artikel 1:444 BW jo 6:74 BW

Artikel 6:162 BW

Overige opmerkingen

Aansprakelijkheid bewindvoerder

Uitspraak bevat (behoudens kop) namen/adressen van natuurlijke personen Ja

Verzend het document per e-mail aan:

arn-rtb-CR-team2stafjuristen-Arnhem.rb-gel@rechtspraak.nl

versie 11.05.17

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats [woonplaats]

zaakgegevens 5563459 \ CV EXPL 16-19200 \ 693\415

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[anoniem] [eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. C.W. Langereis

procederende krachtens toevoegingsnummer 2FI1334

tegen

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. N. Altunc

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 november 2016 met producties tot en met 6

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7

- de conclusie van repliek met producties 7 tot en met 9

- de conclusie van dupliek.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] huurt van [A] [A1] (hierna: [A1] ) in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 oktober 2009 de woning aan de Laan van Meerdervoort 168 A, 1V te Den Haag. [eisende partij] heeft de maandelijks verschuldigde huur niet (tijdig) voldaan waardoor een huurachterstand van € 2.965,81 is ontstaan.

2.2.

Op 11 maart 2009 stuurt [A1] een brief naar [eisende partij] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Bij controle van onze administratie is gebleken dat er een achterstand in de huurbetalingen voor bovenvermelde woning is ontstaan van :

€ 1.471,22 tot en met de maand februari 2009

Indien bovengenoemde vordering niet binnen 5 dagen na dagtekening op onze rekening (…) is bijgeschreven zijn wij helaas genoodzaakt de vordering uit handen te geven (…)

2.3.

Bij beschikking van 7 juli 2011 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [anoniem] [eisende partij] onder bewind gesteld met de benoeming van [gedaagde partij] tot bewindvoerder.

2.4.

Op 20 oktober 2011 stuurt [gedaagde partij] een brief naar [A1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Hierbij deel ik u mee dat [anoniem] [eisende partij] bij beschikking van de Kantonrechter onderbewind is gesteld, met benoeming van onze Stichting tot bewindvoerster.

(…).

Gaarne ontvang ik van u een overzicht van alle vorderingen die uw cliënt(e) heeft / hebben op onze cliënte.

Tevens informeer ik u dat er een aanvraag schuldhulpverlening bij het Budget Advies Centrum te [woonplaats] gaat plaatsvinden, waarin uw vordering wordt meegenomen. Er zijn meerdere schuldeisers en er is geen afloscapaciteit (…)

2.5.

In reactie hierop stuurt [bewind] van [A1] op 23 april 2012 een e-mailbericht, met daarbij een overzicht van de vordering, naar [gedaagde partij] . Hierin staat onder meer het volgende.

(…)

Van mijn collega kreeg ik het verzoek om contact met u op te nemen. Ik zou u nog een overzicht mailen met de openstaande vordering van mevrouw [eisende partij] , bijgaand doe ik u deze toekomen.(…)

2.6.

Op 23 augustus 2012 stuurt het [advies] van de gemeente [woonplaats] een brief naar [A1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Het Is op dit moment nog steeds niet duidelijk van welk inkomen wij moeten uitgaan bij het opzetten van een schuldregeling.

Ik verzoek u dan ook deze zaak aan te houden en eventuele invorderingsmaatregelen stop te zetten. U

zult zo spoedig mogelijk een officieel verzoek tot saldo-opgave ontvangen.(…)

2.7.

In reactie op een e-mailbericht van [advies1] Beheer B.V. (hierna: [advies1] ) en een brief van haar gemachtigde stuurt [gedaagde partij] op 5 december 2014 een brief naar [advies1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Naar aanleiding van een schrijven van mevrouw Van Lent van advocatenkantoor Alt Kam Boer bericht ik u het volgende.

Op naam van mevrouw [eisende partij] is een openstaand bedrag aanwezig van € 2.965,81. Gezien de huidige financiële situatie van mevrouw [eisende partij] is er momenteel geen ruimte deze vordering in één keer te betalen. Ik verzoek u daarom vriendelijk akkoord te gaan met een maandelijkse aflossing van €75,-. (…)

2.8.

Op 16 januari 2015 stuurt [gedaagde partij] een brief naar de gemachtigde van [advies1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Naar aanleiding van uw brief van 26 november 2014 met betrekking tot de vordering die uw cliënte, Jarvis Monumenten B.V., zegt te hebben op onze cliënten stel ik mij op het standpunt dat deze vordering op grond van BW 3:308 inmiddels is verjaard.(…)

2.9.

Op 30 april 2015 stuurt [gedaagde partij] een brief naar de gemachtigde van [advies1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Het is niet alleen de instelling van de oom van mijn cliënte, maar ook de mijne, dat de vordering van uw cliënte is verjaard.

Onze brief van 20 oktober 2011 kan niet gezien worden als een erkenning van enige schuld.

Het is een brief om schulden te inventariseren waarna deze op juistheid getoetst kunnen worden. (…)

2.10.

Op 3 november 2015 stuurt de gemachtigde van [advies1] een brief naar [gedaagde partij] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Mijn cliënte blijft bij het eerder door baar toegelichte standpunt, dat zij de door uw Stichting plotselinge ingenomen stelling dat haar vordering zou zijn verjaard niet kan volgen. (…)

Bij brief van 20 oktober 2011 (bijlage 1) afkomstig van uw Stichting en gericht aan de toenmalige beheerder van de woning, is de vordering van mijn cliënte erkend en is er aangegeven dat deze zal worden meegenomen in het overzicht van schuldeisers. Vervolgens heeft mijn cliënte ook nog berichten ontvangen van het Budget Advies Centrum van de Gemeente [woonplaats] (bijlage 2), waarin is verzocht om invorderingsmaatregelen te staken. Cliënte heeft hier gehoor aangegeven en nadere berichtgeving van uw Stichting afgewacht Bij brief van 5 december 2014 afkomstig van uw Stichting

(bijlage 3) heeft u cliënte verzocht om akkoord te gaan met een maandelijkse aflossing van €75,- per maand. In reactie op dit verzoek heb ik namens cliënte verzocht om inzicht in de financiële situatie van uw cliënte ter beoordeling van dit voorstel.

Dat uw Stichting hierna plotseling de stelling inneemt dat de vordering van mijn cliënte zou zijn verjaard, kan mijn cliënte dan ook niet volgen. Alleen al gelet op het handelen van uw Stichting en de berichtgeving afkomstig van uw Stichting zoals hiervoor kort samengevat, kan de vordering van mijn cliënte namelijk niet zijn verjaard.

(…)

Ondanks het voorgaande en om een spoedige betaling van de vordering te bewerkstelligen, is mijn cliënte bereid om tegenover een direct betaling van de helft van de vordering het overige deel kwijt te schelden. (…) Indien uw cliënte gebruik wenst te maken van de door mijn cliënte getoonde bereidheid, verneem ik dat graag van u.

Mocht u toch bij de stelling persisteren dat de vordering zou zijn verjaard, dan kan ik cliënte slechts

adviseren om uw Stichting in rechte te betrekken o.g.v. onrechtmatig handelen. immers, u heeft haar dan bewust misleid, waardoor zij nu schade heeft. (…)

2.11.

Op 13 november 2015 stuurt [gedaagde partij] een e-mailbericht naar de gemachtigde van [advies1] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Naar aanleiding van uw schrijven van 3 november 2015 deel ik u mee dat we akkoord gaan met het

voorstel de helft van de vordering te voldoen tegen finale kwijting. We zullen een bedrag van € 1482,91 betalen. Wij verzoeken u vriendelijk ons een bevestiging te sturen dat de schuld voldaan is.(…)

2.12.

[gedaagde partij] stuurt in reactie op een klacht van [onbekend] [eisende partij] , op 1 maart 2016 een brief met daarin onder meer het volgende.

(…)

Wat betreft deze huurschuld aan [A] [A1] heeft zich (onder meer) het volgende afgespeeld:

• De [gedaagde partij] bevestigt op 20 oktober 2011 schriftelijk aan [A] [A1] dat een schuldhulpverlening bij het BAC zal worden aangevraagd waarin de vordering van verhuurder zal worden meegenomen. Het verzoek van de [gedaagde partij] aan schuldeiser is het verloop hiervan af te wachten.

• Op 16 februari 2012 bevestigt het BAC aan [A] [A1] dat mevrouw [eisende partij] zich tot het BAC gewend heeft om haar schulden te regelen.

• Lopende de aanvraag bij het BAC is de schuld door [A] [A1] op 23 april 2012 per e-mail met een schriftelijk overzicht met de hoogte en status van de vordering aan de [gedaagde partij] bevestigd.

• De huurschuld aan [A] [A1] is daarop door de [gedaagde partij] gemeld aan het BAC en opgenomen in de door het BAC opgestelde schuldenlijst van 7 juni 2012.

(…)

Gelet op de bovenstaande correspondentie zijn wij er van overtuigd dat de door de [gedaagde partij] gestelde verjaring van de huurschuld van mevrouw [eisende partij] aan [A] [A1] in rechte geen stand zou houden. Initieel is namelijk aan schuldeiser bevestigd dat diens schuld in het saneringstraject zal worden meegenomen en is verzocht dit af te wachten. De tekst in de onze e-mail van 23 april 2012 “ik zou u nog een overzicht sturen van de openstaande vordering van mevrouw [eisende partij] , bijgaand doe ik u deze toekomen” moet worden gezien in het licht dat de vordering op dat moment niet werd betwist alsmede in het licht van het aan de schuldinventarisatie voorafgegane verzoek aan schuldeiser om “af te wachten”. Ik ben het met u eens dat de mededeling ondubbelzinniger had gekund. Toch is het een duidelijke mededeling van het bestaan en de hoogte van de schuld. (…)

2.13.

Bij beschikking van 22 december 2015 is het bewind van [eisende partij] met ingang van 1 februari 2016 opgeheven.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] heeft tegen behoorlijk bewijs van kwijting de veroordeling van [gedaagde partij] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 1.482,31 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] heeft primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde partij] de op haar als bewindvoerster rustende zorgplicht als bedoeld in artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet is nagekomen. [gedaagde partij] is daardoor, krachtens het bepaalde in artikel 6:74 BW, toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis, aldus [eisende partij] . Subsidiair heeft [eisende partij] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met het standpunt van haar eigen toenmalige directeur een regeling aan te gaan met een schuldeiser, terwijl de vordering van die schuldeiser al was verjaard en zij daardoor benadeeld is. [gedaagde partij] laat, ondanks diverse verzoeken daartoe, na om de ontstane schade te vergoeden. [eisende partij] heeft de vordering uit handen moeten geven en maakt daarom ook aanspraak op de wettelijke rente.

3.3.

[gedaagde partij] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de goederen van [eisende partij] in de periode van 7 juli 2009 tot 1 februari 2016 bij [gedaagde partij] onder bewind hebben gestaan, noch dat [eisende partij] in de periode

1 december 2007 tot en met 1 oktober 2009 de woning aan de Laan van Meerdervoort 168 A 1V te Den Haag heeft gehuurd en dat daarbij een huurachterstand van € 2.965,81 is ontstaan. Evenmin staat ter discussie dat [gedaagde partij] eind november 2015 een (betalings)regeling heeft gesloten met de eigenaar van voormelde woning voor deze huurachterstand. Partijen verschillen echter van mening of [gedaagde partij] voldaan heeft aan haar zorgplicht als bewindvoerster ex artikel 1:444 BW en of [gedaagde partij] , door het sluiten van voormelde (betalings)regeling, onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld.

4.2.

De kantonrechter zal de geschilpunten achtereenvolgens beoordelen.

Zorgplicht

4.3.

De kantonrechter dient te beoordelen of [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de door [eisende partij] gestelde schade. Primair heeft [eisende partij] aan de aansprakelijkheid van [gedaagde partij] artikel 1:444 BW jo artikel 6:74 BW ten grondslag gelegd.

4.4.

De persoonlijke aansprakelijkheid van een ingevolge titel 19 van boek 1 BW aangestelde bewindvoerder moet worden getoetst aan artikel 1:444 BW. Volgens dat artikel is een bewindvoerder jegens een rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij die tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Dit betekent dat de handelwijze van de bewindvoerder, ook al is hierdoor schade ontstaan, niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Beoordeeld zal moeten worden of de bewindvoerder heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelende bewindvoerder verwacht mag worden.

4.4.1.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Blijkens de overgelegde processtukken, en dan met name de brieven van [A1] van 11 maart 2009 (r.ov. 2.2.), van [gedaagde partij] van 20 oktober 2011, van BAC van 23 augustus 2012 (r.ov. 2.6.) en van [gedaagde partij] van 5 december 2014 (r.ov. 2.7.), was bij aanvang van het bewind duidelijk dat [eisende partij] een huurschuld had en dat de voormalig verhuurster, [gedaagde partij] en BAC daarover veelvuldig gecorrespondeerd hebben. Dat het voor [eisende partij] van groot belang was dat zij het bedrag aan huurachterstand niet zou hoeven te betalen, is evident. Het was aan [gedaagde partij] als goed bewindvoerster om daarover in discussie te gaan met (de gemachtigde van) de voormalig verhuurster. Uit de overgelegde processtukken, en dan met name de brieven van 16 januari 2015 (r.ov. 2.8.), 30 april 2015 (r.ov. 2.9.) en 3 november 2015 (r.ov. 2.10) van [gedaagde partij] en de gemachtigde van de voormalige verhuurster, blijkt dat partijen over het bestaan van de huurachterstand veelvuldig gecorrespondeerd hebben. De kantonrechter is, mede gelet op de overgelegde producties, van oordeel dat door [gedaagde partij] geen onjuiste keuze is gemaakt om in te gaan op het voorstel van de voormalige verhuurster. Immers, [gedaagde partij] heeft, nog los van de vraag of de vordering van de verhuurster was verjaard, wat zij nadrukkelijk betwist, een afweging gemaakt betreffende het belang van [eisende partij] , de haalbaarheid van de stelling van [eisende partij] dat de vordering was verjaard en ten slotte het afwikkelen van de schuld zonder hoge bijkomende juridische kosten. Dat [gedaagde partij] uiteindelijk akkoord is gegaan met het door de gemachtigde van voormalige verhuurster gedane schikkingsvoorstel is, gelet op de door [gedaagde partij] op 5 december 2014 gestuurde brief, niet onbegrijpelijk. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] niet gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelende bewindvoerder verwacht mag worden. In zoverre is van (toerekenbaar) tekortschieten door [gedaagde partij] in de zorg van een goed bewindvoerder derhalve geen sprake.

Onrechtmatig handelen

4.5.

Subsidiair heeft [eisende partij] aan het gevorderde ten grondslag gelegd dat [gedaagde partij] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

4.5.1.

De kantonrechter is van oordeel dat, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor met betrekking tot de primaire grondslag reeds is overwogen, [eisende partij] ten onrechte heeft nagelaten zijn standpunt nader te onderbouwen. Er zijn, naast hetgeen hiervoor al is overwogen, geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot dat oordeel zouden kunnen leiden. Dat [gedaagde partij] als bewindvoerster een afweging heeft gemaakt en uiteindelijk akkoord is gegaan met het voorstel van de gemachtigde van de voormalige verhuurster, doet daar, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, niets aan af. De vorderingen moeten daarom ook op de subsidiaire grondslag worden afgewezen.

4.6.

Bezien in het licht van het verweer van [gedaagde partij] heeft [eisende partij] haar stellingen, ter zake van het tekortschieten als goed bewindvoerder en onrechtmatig handelen, naar het oordeel van de kantonrechter te weinig onderbouwd om tot (nadere) bewijslevering toegelaten te worden. De kantonrechter wijst de vordering van [eisende partij] , gelet op het voorgaande, af. Datzelfde lot treft de nevenvorderingen, nu die daarmee samenhangen.

4.7.

[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Hetgeen [eisende partij] met betrekking tot de verschuldigdheid van de proceskosten heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op