Civiel recht overig
Verzekeringsrecht. Na diefstal van zijn auto vordert de verzekerde op grond van de verzekeringsovereenkomst…
Rechtbank Gelderland, 16 januari 2019
ECLI:NL:RBGEL:2019:511 · Rechtbank Gelderland · 16 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2019-511
Zaakgegevens
Op 16 januari 2019 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 januari 2019
- Datum publicatie
- 11 februari 2019
- Zaaknummer
- NL18.743
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2019:511
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzekeringsrecht. Na diefstal van zijn auto vordert de verzekerde op grond van de verzekeringsovereenkomst uitbetaling van de dagwaarde van auto. De verzekeraar stelt dat de verzekerde niet heeft voldaan aan de meldingsplicht met het opzet de verzekeraar te misleiden. Bewijsopdrachten.
Uitspraak
vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: NL18.743
Vonnis van 16 januari 2019
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te Rotterdam,
eiser, hierna te noemen: [eiser],
advocaat mr. H. Carels te Rotterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
verweerster, hierna te noemen: Achmea,
advocaat mr. A.W. Hendriks te Apeldoorn.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de procesinleiding met de producties 1 t/m 7
- het verweerschrift met de producties 1 t/m 3
- de brief van 8 augustus 2018 van [eiser] met de producties 8 t/m 13
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 24 augustus 2018.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] is eigenaar van een auto, merk Porsche, type Cayenne, met het kenteken [kenteken] (hierna: de Porsche).
[eiser] heeft een verzekeringsovereenkomst met Achmea gesloten op grond waarvan de Porsche tegen diefstal is verzekerd. In de polisvoorwaarden is onder meer een zogenaamde aanschafwaarderegeling opgenomen met de volgende inhoud:
Indien een auto duurder is dan € 50.000,00 dan geldt er een andere vergoeding ingeval van diefstal of total loss. Binnen 3 jaar na aankoop wordt de dagwaarde in dat geval verhoogd met 10% (van de vastgestelde dagwaarde). Om hierop aanspraak te kunnen maken dient een verzekeringnemer het aankoopbedrag aan te tonen met een aankoopnota. Indien geen aankoopnota aanwezig is wordt uitsluitend het bedrag vergoed dat door verzekeringnemer via de bank op rekening van de verkopende partij werd overgemaakt.
In de toepasselijke algemene voorwaarden is voorts onder meer het volgende bepaald:
7. Wanneer is schade niet verzekerd?
(…)
U of een verzekerde pleegt fraude.
• Wij mogen alle verzekeringen stoppen, die op het polisblad staan.
• U moet uitkeringen en kosten terugbetalen.
• U krijgt geen premie terug.
• Wij mogen de fraude doorgeven aan de politie.
• Wij mogen de fraude registreren.
-- Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien.
Bij Begrippen ziet u wat wij onder fraude verstaan.
U of een verzekerde houdt zich niet aan deze voorwaarden.
• En dit is voor ons nadelig.
Onder het kopje “Begrippen” in de algemene voorwaarden is vermeld:
Fraude
U of een verzekerde vertelt niet de waarheid of vertelt niet alles:
• Of om een hogere vergoeding van ons te krijgen.
• Of om een verzekering af te sluiten of te houden.
[eiser] heeft de Porsche op 3 november 2017 geparkeerd aan de [adres] te Rotterdam, vlakbij het kantoor waar [eiser] werkzaam is. Op 9 november 2017 bleek dat de Porsche was verdwenen. [eiser] heeft diezelfde dag bij de politie aangifte gedaan van diefstal en bij Achmea melding gemaakt van de diefstal.
Bij brief van 9 november 2017 heeft Achmea [eiser] bericht dat hij een diefstalschadeformulier diende in te vullen, dat hij aangifte diende te doen bij de politie, dat de dekking op de polis zou worden gestopt, tenzij de Porsche binnen twintig dagen zou worden teruggevonden, en dat een schade-expert contact zou opnemen om de diefstal te bespreken en vervolgens het schadebedrag zou vaststellen, welk bedrag Achmea na een wachttermijn van twintig dagen na de diefstaldatum zou uitbetalen.
Op 10 november 2017 heeft [eiser] het diefstalschadeformulier ingevuld, waarop hij onder meer heeft vermeld dat hij de Porsche in december 2016 bij Can Exclusive B.V. heeft gekocht en dat de aankoopprijs € 69.500,00 bedroeg.
Op 21 november 2017 heeft de heer [naam schade expert], schade expert, [eiser] thuis bezocht. Het door [eiser] ingevulde schadeformulier is toen besproken. [eiser] heeft verklaard dat hij de auto bij Can Exclusive B.V. (hierna Can) had aangeschaft voor een bedrag van € 69.500,00, dat hij in dat kader een Audi Q5 had ingeruild en een bedrag van € 34.000,00 contant had bijbetaald.
[naam schade expert] heeft vervolgens een akkoordverklaring ingevuld gedateerd 21 november 2017, die ook is ondertekend door [eiser], waarin de dagwaarde van de Porsche is vastgesteld op een bedrag van € 49.500,00 (€ 45.000,00 plus 10% op grond van de aanschafwaarderegeling).
Bij e-mailbericht van 13 december 2017 heeft Achmea [eiser] onder meer het volgende bericht:
Wij hebben besloten nader onderzoek te doen naar de door u opgegeven diefstal van uw auto. Binnenkort zal er met u een afspraak gemaakt worden. Wij keren op dit moment dan ook geen schade uit. U geeft in uw email van 5 december 2017 (zie bijlage) dat u na uitbetaling van de schade de huurauto inlevert. Aangezien u, zoals al gezegd, hier geen recht meer op heeft, dient u de huurauto onmiddellijk in te dienen. Indien u hier geen gehoor aangeeft zullen de kosten die hiervoor in rekening worden gebracht voor uw rekening zijn.
Bij brief van 19 december 2017 heeft de advocaat van [eiser] Achmea gesommeerd om tot uitbetaling van het bedrag van € 49.500,00 over te gaan.
Op 31 januari 2018 heeft op verzoek van [eiser] een gesprek plaatsgevonden met de [naam toedrachtsonderzoeker], toedrachtonderzoeker bij Achmea, in het bijzijn van de advocaat van [eiser].
Op 26 februari 2018 heeft Achmea een rapport toedrachtonderzoek opgemaakt waarin het volgende is geconcludeerd:
Op basis van de thans bekende informatie moet worden vastgesteld dat verzekeringnemer onwaar is verklaard
over de aanschaffactuur en de aanschafprijs van onderhavige Porsche. Voorts blijkt dat ook over de inruilwaarde
van zijn vorige (en bij de aankoop van onderhavige Porsche ingeruilde Audi Q5) een onware verklaring is
afgelegd. In verband hiermee moet worden vastgesteld dat verzekeringnemer niet heeft voldaan aan de
mededelingsplicht met betrekking tot de aanschafprijs van verzekerd voertuig.
Aansluitend moet worden vastgesteld dat de onware verklaringen omtrent de aankoopprijs en de inruilwaarde
alsmede het beroep op de voorwaarden van de Aanschafwaarderegeling, erop gericht waren zijn schade te
majoreren en de verzekeraar te bewegen tot het uitkeren van een hoger schadebedrag dan dat op grond van de
werkelijke gegevens redelijk zou zijn geweest.
Bij brief van 8 maart 2018 heeft Achmea [eiser] het volgende medegedeeld:
U krijgt helaas geen schadevergoeding
U gaf ons namelijk bewust onjuiste informatie over de aankoopwaarde van uw auto, de Porsche Cayenne met kenteken [kenteken]. Wij lichten dit nader toe.
(…)
Wij schakelden een expert Diefstal-Verkeer in ter vaststelling van de waarde van uw Porsche
Zoals gebruikelijk bij diefstal van voertuigen wordt aan een expert Diefstal Verkeer een opdracht verstrekt onderzoek te doen naar de waarde van de gestolen Porsche. Uw informatie wordt gebruikt om tot een juiste vaststelling van de waarde van de Porsche te komen. Uit het door u ingevulde en ondertekende formulier “verklaring inzake diefstal object” blijkt dat u de Porsche voor € 69.500,- bij Can Exclusive BV. heeft gekocht. De expert stelt vast dat de door u opgegeven aankoopwaarde niet marktconform was. Op internet treft hij een verkoopadvertentie aan van Automobielbedrijf Can Exclusive BV. Hieruit blijkt dat de Porsche voor een aanzienlijk lager bedrag te koop werd aangeboden. De expert heeft het dossier doorgezet naar de afdeling Speciale Zaken voor nader onderzoek. Op de bevindingen van de expert komen wij uitgebreid terug.
Wij schakelden toedrachtonderzoeker in
De heer [naam toedrachtsonderzoeker], toedrachtonderzoeker van de afdeling expertise in dienst van Achmea, heeft
namens Centraal Beheer het onderzoek uitgevoerd. Hieronder leest u de uitkomsten van het onderzoek.
U vindt als bijlage een afschrift van het onderzoeksrapport.
Bevindingen van de expert Diefstal Verkeer
Uit de aangetroffen verkoopadvertentie van de autobedrijf Can Exclusive BV blijkt dat de Porsche voor een bedrag van € 58.400,- is aangeboden. Dit komt niet overeen met het door u opgegeven aankoopbedrag. U vindt als bijlage bij het onderzoeksrapport een afschrift van de verkoopadvertentie.
Door u is verklaard dat u bij de aanschaf van de Porsche een Audi Q5 inruilde en contant € 34.000,- heeft bijbetaald. U gaf aan dat de aankoopnota in de Porsche lag en deze samen met de Porsche is weggenomen. Een kopie van de aanschafnota zou u opvragen.
Uit onderzoek naar de dagwaarde van de Porsche, blijkt dat de door u opgegeven aanschafprijs, op de datum van de aankoop, hoger was dan gebruikelijk in de markt. De aanvankelijk vastgestelde dagwaarde na de diefstal is beduidend lager dan de door u opgegeven aankoopprijs van de Porsche. De expert toetste dit bij zijn collega. Hieruit blijkt dat de dagwaarde van de Porsche onder de € 40.000,- ligt. Alleen door uw verklaringen over het hoge aankoopbedrag werd een hogere dagwaarde van € 45.000,- aan de Porsche toegekend om uw geleden schade te compenseren.
U vindt als bijlage bij het onderzoeksrapport een afschrift van de verkoopadvertentie.
U doet onterecht een beroep op de Aanschafwaarderegeling
In de “Akkoordverklaring” geeft u aan slechts akkoord te gaan met de voorgestelde schadeafwikkeling van
€ 45.000,- wanneer de 10% die is genoemd in de polisvoorwaarden van de Aanschafwaarderegeling, in de (al naar boven gestelde) dagwaarde is verrekend. U doet onrecht een beroep op de “Aanschafwaarderegeling”. Om aanspraak te maken op de Aanschafwaarderegeling moet u het aankoopbedrag aantonen met een aankoopnota. Als er geen aankoopnota wordt overlegd zal uitsluitend het bedrag worden vergoed dat door u via de bank op rekening van de verkopende partij werd overgemaakt. Dit is niet door u aangetoond.
U vindt als bijlage bij het onderzoeksrapoport een afschrift van de akkoordverklaring.
Bezoek 3 januari 2018 van de heer [naam toedrachtsonderzoeker] bij automobielbedrijf Can Exclusive BV
Hij sprak daar met de eigenaar. Deze gaf aan dat de verkoop van de Porsche in consignatie door hem was verkocht en daarom niet in de handelsvoorraad was opgenomen. Op verzoek van de heer [naam toedrachtsonderzoeker] zou hij de administratie controleren of er een verkoopfactuur was opgemaakt. Dit heeft niets opgeleverd.
Op 30 januari 2018 neemt de heer [naam toedrachtsonderzoeker] een verklaring van u af
In het bijzijn van uw advocaat mr. H. Carels heeft u over de aankoop van de Porsche verklaard dat:
- u de Porsche hebt gekocht bij Automobielbedrijf Can Exclusive BV voor het bedrag van € 69.500,-
- u contant € 34.500,- had toebetaald op de door u op de Porsche ingeruilde Audi Q5
- u van mening bent dat de Audi Q5 een waarde van € 35.000,- had en u voor dit bedrag de Audi Q5 in 2016 had aangeschaft
- u geen aankoopfactuur had ontvangen
- u de verkoopadvertenties waarin de Porsche voor € 58.400,- te koop werd aangeboden niet had gezien.
U vindt als bijlage bij het onderzoeksrapport een afschrift van uw volledige verklaring.
Aanvullende verklaring van de expert Diefstal Verkeer over de aankoopfactuur
De heer [naam toedrachtsonderzoeker] besprak met hem de inhoud van uw verklaring over de aankoopfactuur. Uit de verklaring van de expert blijkt dat hij de inhoud van zijn rapport blijft. U heeft tijdens telefoongesprekken aangeven wel een aankoopfactuur te hebben ontvangen en u zou proberen/had geprobeerd een kopie van de aankoopfactuur op te vragen.
Omdat het verschil tussen de dagwaarde en de door u gestelde aankoopprijs zeer groot is heeft hij u verzocht een aankoopfactuur aan te leveren. In principe zou hij een lagere dagwaarde hebben vastgesteld. Door uw verklaring over de aankoopprijs is deze alsnog naar boven bijgesteld. U zou alleen akkoord gaan indien u de, in de polisvoorwaarden van de aanschafwaarderegeling, vermelde 10% erbij zou ontvangen.
Over zijn bezoek aan Autobedrijf Can Exclusive BV verklaart de expert dat de Porsche in consignatie is verkocht en om die reden er geen aankoopfactuur is opgemaakt. De eigenaar gaf aan de Porsche voor een bedrag van € 54.000 of € 55.000 aan u te hebben verkocht.
Wij deden waarde onderzoek met betrekking tot de inruilwaarde van de Audi Q5
Hieruit blijkt dat de waarde van de Audi tijdens de inruil tussen de € 22.000,- en de € 25.000,- met hebben gelegen. Afhankelijk van de kilometrage en de staat van de auto. De door u toegekende waarde aan de Audi Q5 van € 35.000,- is niet realistisch en marktconform.
U geeft ons bewust onjuiste informatie over de aanschafwaarde van de Porsche
Deze conclusie trekken wij naar aanleiding van onze onderzoeksbevindingen. Uit jurisprudentie blijkt dat u heeft gehandeld in strijd met de zware mededelingsplicht over de informatie die u ons moet meedelen over het verzekerde risico. De door u opgegeven aankoopwaarde heeft een cruciale rol gespeeld bij de onderhandelingen met de expert over het uit te keren bedrag. De expert heeft aanvankelijk een lagere dagwaarde vastgesteld maar door uw onware opgave een hogere dagwaarde met u overeengekomen. Door uw onware opgave heeft u bewust het redelijke belang van Achmea geschaad. U heeft ons opzettelijk willen misleiden met als doel een hogere schade-uitkering te ontvangen daar waar u in werkelijkheid recht op heeft. Dit nemen wij u kwalijk.
U pleegt fraude
In overeenstemming met artikel 5 van de voor u geldende Algemene Voorwaarden van uw autoverzekering met polisnummer 110495187, nemen wij de volgende maatregelen:
• Wij stoppen uw verzekeringen.
• U moet door ons gemaakte kosten betalen
• U krijgt geen premie terug.
• Wij mogen de fraude doorgeven aan de politie.
• Wij mogen de fraude registreren.
-- Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien
Wij stoppen uw Autoverzekering met polisnummer 110495187 per direct.
Uw Woonverzekering met polisnummer 41520652 en uw Doorlopende Reisverzekering met polisnummer 300550807 beëindigen wij per eerstvolgende premievervaldatum. U ontvangt hierover aanvullend bericht.
U betaalt de onderzoekskosten van de fraudecoördinator
Wij hadden deze onderzoekskosten niet gemaakt als u ons geen onjuiste informatie had gegeven. Wij verhalen de kosten dan ook op u. De Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA) incasseert deze kosten. U ontvangt binnenkort een brief met betaalinstructie van SODA voor de gemaakte onderzoekskosten van € 532,-. Dit is het gemiddelde bedrag aan onderzoekskosten dat de fraudecoördinator per onjuiste schademelding moet maken.
U betaalt de onderzoekskosten van de toedrachtonderzoeker
Wij hadden deze onderzoekskosten niet gemaakt als u ons geen onjuiste informatie had gegeven. Maakt u het bedrag € 1.823,37 vóór 3 april 2018 over op ons rekeningnummer (…).
U vindt als bijlage bij deze brief een afschrift van het declaratieoverzicht.
Wij nemen uw gegevens voor een duur van 8 jaar op in het Incidentenregister
Gezien uw betrokkenheid bij deze schade hebben wij uw volledige persoonsgegevens opgenomen in ons Incidentenregister. Het incidentenregister wordt beheerd door de afdeling Speciale Zaken van de Achmea Groep. Dit register heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van ons bedrijf.
Wilt u inzage in deze gegevens? (…)
Wij nemen uw gegevens op in het Externe verwijzingsregister voor een duur van 8 jaar
Financiële instellingen kunnen nagaan of u in dit register voorkomt. Dit gaat volgens de regels van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële instellingen. Dit register wordt gebruikt om de integriteit van klanten en relaties te beoordelen. Financiële instellingen die uw registratie tegenkomen, zijn verplicht bij ons navraag te doen over de reden van uw registratie.
Deze registratie kan gevolgen voor u hebben als u een andere verzekering of financieel product aanvraagt of als u solliciteert bij een financiële instelling. Wij maakten een zorgvuldige afweging tussen uw belangen en de belangen van de financiële instellingen. Ons vertrouwen in u is zo ernstig geschaad dat wij het belangrijk vinden dat uw gegevens in het waarschuwingssysteem worden opgenomen.
Wilt u weten met welke gegevens u bent opgenomen? Dan kunt u dit opvragen bij het Centraal informatiesysteem van de in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (Stichting CIS), (…). Het doel van de verwerking van persoonsgegevens bij Stichting CIS is voor verzekeraars en gevolmachtigde agenten om risico’s te beheersen en fraude tegen te gaan. (…)
Het fraudeloket van het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) is op de hoogte gebracht
Dit loket is onderdeel van het Verbond van Verzekeraars.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Achmea veroordeelt aan [eiser] te betalen een bedrag van € 49.500,00 met de wettelijke rente daarover sinds 9 november 2017 tot aan de dag van algehele voldoening met veroordeling van Achmea in de kosten van dit geding.
Achmea voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De vordering van [eiser] is gestoeld op nakoming van de verzekeringsovereenkomst door Achmea. De Porsche van [eiser] die bij Achmea was verzekerd tegen diefstal is gestolen. De dagwaarde van de Porsche is door de schade-expert van Achmea vastgesteld op € 45.000,00 plus 10%, dus in totaal € 49.500,00. [eiser] vordert in deze zaak uitbetaling van dat bedrag.
Achmea stelt zich op het standpunt dat [eiser] geen recht heeft op uitkering onder de polis, omdat uit onderzoek is gebleken dat [eiser] onwaar heeft verklaard over de aankoopprijs van de Porsche, over het bestaan van een aankoopnota daarvan en over de inruilwaarde van de Audi, met als doel het verkrijgen van een hogere uitkering dan waar hij eigenlijk recht op zou hebben.
Op grond van artikel 7:941, lid 2, BW is de verzekeringnemer verplicht de verzekeraar alle inlichtingen te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Op grond van het vijfde lid van dat artikel vervalt het recht op uitkering, indien de verzekeringnemer niet aan deze meldingsplicht voldoet met het opzet de verzekeraar te misleiden, behalve voor zover de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat gezien de opzet tot misleiding alleen in bijzondere omstandigheden aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van uitkering niet gerechtvaardigd is (vgl. Hoge Raad 3 december 2004, NJ 2005, 160).
Op Achmea, die zich beroept op het verval van recht, rust de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die maken dat niet is voldaan aan de meldingsplicht met het opzet Achmea te misleiden.
De aankoopprijs van de Porsche
Vast staat dat [eiser] een aankoopprijs van € 69.500,00 aan Achmea heeft opgegeven. Volgens Achmea is dit allereerst onjuist omdat [eiser] met Can een aankoopprijs van € 54.000,00 of € 55.000,00 is overeengekomen. Zij verwijst daarvoor naar de verklaring van [naam schade expert] dat de eigenaar van Can hem heeft verteld dat de Porsche aan [eiser] is verkocht voor € 54.000,00 of € 55.000,00 alsmede naar de verkoopadvertentie van Can met een vraagprijs van € 58.400,00.
[eiser] betwist dat hij een aankoopprijs met Can heeft afgesproken en stelt dat enkel is overeengekomen dat hij de Audi zou inruilen en daarnaast € 34.000,00 zou betalen. De advertentie heeft hij destijds niet gezien.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de aangehaalde verklaring van de eigenaar van Can niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat Can destijds met [eiser] een aankoopprijs van € 54.000,00 of € 55.000,00 is overeengekomen. De eigenaar heeft slechts aangegeven dat de Porsche voor dat bedrag is verkocht, zonder dat hem naar de details van de verkoop is gevraagd. Niet valt uit te sluiten dat de aankoopprijs van de Porsche bij de verkoop in het midden is gebleven en dat er alleen is gesproken over de inruil van de Audi en over de hoogte van de bijbetaling zonder dat daarbij een inruilprijs is genoemd, zoals [eiser] stelt. Het is dan ook aan Achmea om nader bewijs bij te brengen van haar stelling dat Can en [eiser] een aankoopprijs van € 54.000,00 of € 55.000,00 voor de Porsche hebben afgesproken, al dan niet indirect door middel van het overeenkomen van een inruilprijs voor de Audi naast een overeengekomen bedrag aan bijbetaling. Als Achmea daarin slaagt, dan staat daarmee vast dat [eiser] zijn meldingsplicht heeft geschonden door bewust een (veel) te hoge aankoopprijs op te geven
(€ 69.500,00 in plaats van € 54.000,00 of € 55.000,00) en tevens dat hij dit heeft gedaan met het opzet om een hogere uitkering te krijgen. Achmea stelt bij diefstal van een auto de schade immers vast op de dagwaarde van de auto. Voor het bepalen van de dagwaarde is de aanschafprijs richtinggevend (waarbij tevens wordt beoordeeld of deze marktconform is), nu de auto (vanwege de diefstal) niet meer voorhanden is.
De inruilwaarde van de Audi
Los daarvan heeft [eiser] volgens Achmea, ook in het geval dat hij niet expliciet met Can een aankoopprijs voor de Porsche is overeengekomen (en dus ook geen inruilprijs voor de Audi), een onjuiste aankoopprijs van de Porsche opgegeven. Daarvoor verwijst Achmea naar de taxatie van [naam] van 14 februari 2018, waarin de dagwaarde van de Audi in december 2017 is getaxeerd op een bedrag tussen de € 22.000,00 en € 25.000,00 in plaats van de door [eiser] opgegeven inruilwaarde van
€ 35.000,00.
[eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij de inruilwaarde van de Audi destijds heeft beredeneerd (en dus ook de opgegeven aankoopprijs van de Porsche). Hij stelt daartoe dat hij de Audi in 2016 heeft gekocht, dat de vraagprijs toen € 32.000,00 was en dat hij daaraan vervolgens waarde verhogende aanpassingen heeft gedaan, waaronder nieuwe velgen, reden waarom hij is uitgegaan van een inruilwaarde in december 2017 van
€ 35.000,00.
Als al zou komen vast te staan dat de dagwaarde van de Audi ten tijde van de inruil tussen de € 22.000,00 en € 25.000,00 lag, hetgeen [eiser] betwist, dan maakt dat nog niet dat [eiser] Achmea met zijn opgave opzettelijk heeft misleid. Daarvoor is vereist dat [eiser] destijds kennis had van die dagwaarde. Dat is niet gesteld. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat [eiser] zijn meldingsplicht heeft geschonden door zonder enige toelichting een beredeneerde inruilwaarde van € 35.000,00 op te geven terwijl de vraagprijs voor de Audi in 2016 naar eigen zeggen slechts
€ 32.000,00 was, nog daargelaten of [eiser] die vraagprijs uiteindelijk ook heeft betaald, en er tussen het moment van de aanschaf en de inruil van de Audi een jaar was verstreken, hetgeen onmiskenbaar tot een lagere waarde leidt. Waarde vermeerderende aanpassingen zijn (nog) niet onderbouwd, waarbij bovendien de kanttekening moet worden geplaatst dat de kosten van eventuele aanpassingen niet zonder meer gelijk zijn te stellen aan een waardevermeerdering van de auto. De rechtbank is voorshands van oordeel dat daaruit tevens volgt dat [eiser] bewust een hogere dan de daadwerkelijke inruilwaarde van de Audi heeft gehanteerd met het opzet om een hogere uitkering te krijgen. Ook hier geldt immers dat voor het bepalen van de dagwaarde van de Porsche, en daarmee de uitkering, de aanschafprijs, waarvan de inruilwaarde van de Audi onderdeel uitmaakt, richtinggevend is nu de Porsche niet meer voorhanden is. Het is dan aan [eiser] om bij wege van tegenbewijs dit rechterlijk vermoeden te ontzenuwen. Daarvoor dient hij aannemelijk te maken dat de inruilwaarde van de Audi in december 2017 om en nabij de
€ 35.000,00 bedroeg.
Aanschafnota van de Porsche?
Tot slot verwijt Achmea [eiser] dat hij heeft gelogen over het bestaan van een aanschafnota van zijn aankoop van de Porsche. Volgens Achmea heeft hij [naam schade expert] verteld dat zijn aanschafnota in de Porsche lag. [eiser] heeft dit consequent betwist en stelt dat dat ging om de aanschafnota van de vorige eigenaar. Gelet op de gemotiveerde betwisting is het aan Achmea om dat aan te tonen. Indien zij daarin slaagt, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank dat [eiser] het opzet had om een hogere uitkering te krijgen. Niet in geschil is immers dat [eiser] geen aanschafnota van Car, die de Porsche in consignatie aan hem heeft verkocht, heeft ontvangen terwijl dit een voorwaarde is voor aanspraak op de aanschafwaarderegeling, waarop [eiser] uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan. De betaling is immers niet via de bank gegaan.
Indien Achmea faalt in beide bewijsopdrachten en [eiser] slaagt in het tegenbewijs, dan is de vordering toewijsbaar. Alsdan is immers niet vast komen te staan dat [eiser] opzettelijk zijn meldingsplicht heeft geschonden teneinde een hogere uitkering te krijgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Achmea toegezegd dat indien de vordering wordt toegewezen Achmea er zorg voor zal dragen dat de registraties van [eiser] zoals vermeld in de brief van 8 maart 2018 worden verwijderd. Tevens heeft de advocaat van Achmea toegezegd dat Achmea in dat geval in overleg zal treden met de advocaat van [eiser] over de vergoeding van de gevolgschade.
Indien Achmea daarentegen slaagt in (één van) de bewijsopdrachten dan wel indien [eiser] faalt in het tegenbewijs, dan dient beoordeeld te worden of het opzettelijk niet voldoen aan zijn meldingsplicht algeheel verval van het recht op uitkering rechtvaardigt. Anders gezegd of Achmea, gelet op alle omstandigheden van het geval, een proportionele sanctie heeft toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat verval van recht op uitkering zonder meer gerechtvaardigd is indien Achmea slaagt in één van haar bewijsopdrachten of [eiser] faalt in het tegenbewijs. In dat geval staat immers vast dat [eiser] moedwillig onjuiste informatie heeft verstrekt die van evident belang was voor het bepalen van de dagwaarde van de Porsche dan wel voor de toepasselijkheid van de aanschafwaarde-regeling en daarmee voor de hoogte van de uitkering. Dat met de opgegeven onjuiste informatie de uitkering slechts in geringe mate zou zijn te beïnvloeden, maakt dat niet anders. Dat [eiser] de overige zaken die in de Porsche lagen niet bij Achmea heeft geclaimd, vormt geen bijzondere omstandigheid die maakt dat een meer proportionele sanctie zou moeten worden toegepast. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat in het geval Achmea slaagt in (één van) haar bewijsopdrachten of [eiser] faalt in het tegenbewijs, zijn recht op uitkering is komen te vervallen en de vordering dient te worden afgewezen.
Uit proceseconomische overwegingen zal de rechtbank de bewijsopdrachten gelijktijdig verstrekken.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5 De beslissing
De rechtbank
draagt Achmea op te bewijzen dat Can en [eiser] een aankoopprijs van
€ 54.000,00 of € 55.000,00 voor de Porsche hebben afgesproken, al dan niet indirect door middel van het overeenkomen van een inruilprijs voor de Audi naast een overeengekomen bedrag aan bijbetaling;
laat [eiser] toe de voorshands bewezen stelling van Achmea dat
[eiser] bewust een hogere dan de daadwerkelijke inruilwaarde van de Audi heeft gehanteerd bij zijn opgave van de aankoopprijs van de Porsche met het opzet om een hogere uitkering te krijgen, te ontzenuwen;
draagt Achmea op te bewijzen dat [eiser] heeft gelogen over het bestaan van een aanschafnota van zijn aankoop van de Porsche;
bepaalt dat, indien Achmea en [eiser] bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. M.J.P. Heijmans in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;
bepaalt dat Achmea en [eiser] uiterlijk op 30 januari 2019 getuigen en hun verhinderdagen zullen kunnen opgeven, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden februari tot en met april 2019, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, en bij gebreke waarvan vonnis zal worden gewezen;
bepaalt dat Achmea en [eiser] binnen de hiervoor genoemde termijn ook kenbaar zullen kunnen maken dat zij het bewijs uitsluitend schriftelijk willen leveren, waartoe zij dan de gelegenheid zullen krijgen door uiterlijk op 27 februari 2019 een daartoe strekkende conclusie met schriftelijke bewijsstukken in te dienen;
bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor ingediend moeten hebben;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.