Civiel recht overig
Rechtbank Gelderland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Gelderland, 15 juli 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:3593 · Rechtbank Gelderland · 15 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2020-3593
Zaakgegevens
Op 15 juli 2020 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 15 juli 2020
- Datum publicatie
- 17 juli 2020
- Zaaknummer
- 8150221
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2020:3593
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8150221 \ CV EXPL 19-13716 \ 512 \ 44318
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
de naamloze vennootschap Menzis Zorgverzekeraar N.V.
gevestigd te Wageningen
eisende partij
gemachtigde GGN Mastering Credit B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde P. van Luijn
Partijen worden hierna Menzis en [gedaagde] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 oktober 2019
- de conclusie van antwoord
- de akte overlegging productie zijdens [gedaagde]
- de conclusie van repliek met producties
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlaten zijdens Menzis
2 Het geschil en de beoordeling daarvan
Menzis vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 904,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 748,21 vanaf 21 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Menzis legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] met haar een of meerdere zorgverzekeringsovereenkomsten is aangegaan. [gedaagde] is op grond van die zorgverzekeringsovereenkomst(en) verplicht een eigen risico verschuldigd, wanneer zorg aan hem wordt verleend. [gedaagde] heeft onterecht eigen risiconota’s onbetaald gelaten, van in totaal € 748,21, welke zijn gespecificeerd in productie 1 bij de dagvaarding. Hierdoor is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd geworden. Deze bedraagt € 25,25 berekend tot 21 oktober 2019. Menzis heeft haar vordering uit handen gegeven en houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de daaraan verbonden kosten van € 135,00 inclusief btw. Op het verschuldigde bedrag is een bedrag van € 4,44 in mindering gebracht. In totaal is [gedaagde] daarom een bedrag van € 904,02 (€ 748,21 + € 135,00 + € 25,25 - € 4,44) aan Menzis verschuldigd geworden.
[gedaagde] betwist dat hij de eigen risiconota’s moet betalen. Hij voert aan dat hij in 2015, 2016 en het grootste deel van 2017 gedetineerd was. Hierdoor was hij via het Rijk verzekerd.
De kantonrechter overweegt als volgt.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer een uittreksel TULP/MIR Informatiekaart voor derden overgelegd waaruit blijkt dat hij onder meer van 1 februari 2013 tot en met 12 mei 2016 en van 24 juli 2017 tot en met 23 juli 2018 gedetineerd was.
Menzis heeft daartegen aangevoerd dat [gedaagde] heeft nagelaten een volledig inzicht te geven over de periodes dat hij in detentie verbleef, maar de kantonrechter volgt dit verweer niet.
Het door [gedaagde] overgelegde overzicht is afkomstig uit het registratiesysteem van het gevangeniswezen, zodat van de juistheid ervan mag worden uitgegaan. Menzis heeft bij repliek voorts erkend wel op de hoogte te zijn van het feit dat [gedaagde] in de periodes 25-09-2014 tot en met 16-07-2015 en 24-07-2017 tot en met 29-05-2018 gedetineerd was.
Het door [gedaagde] overgelegd overzicht wordt daarom tot uitgangspunt genomen.
Hieruit volgt dat de nota’s van Menzis, behoudens die van 13 oktober 2015 en 19 april 2016, niet zien op de periodes waarin [gedaagde] gedetineerd was.
Ten aanzien van de nota’s van 13 oktober 2015 en 19 april 2016 heeft te gelden dat deze wel vallen in de periode dat [gedaagde] gedetineerd was. Op grond van artikel 24 lid 1 Zvw zijn de rechten en plichten uit de zorgverzekering van rechtswege opgeschort gedurende de periode waarover Onze Minister van Justitie in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg aan een verzekerde. Het vierde lid van datzelfde artikel bepaalt dat de verzekerde de zorgverzekeraar meldt de dag waarop de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in de periode waarop de nota’s van 13 oktober 2015 en 19 april 2016 zien niet aan Menzis heeft gemeld dat hij in detentie verbleef.
Menzis stelt dat zij voornoemde declaraties te goeder trouw, en onverschuldigd, aan de betreffende zorgverleners heeft vergoed. [gedaagde] dient daarom het over deze nota’s verschuldigde eigen risico aan Menzis te betalen. Hoewel vaststaat dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 24 lid 4 Zvw, gaat de redenering van Menzis naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in haar arrest van 19 januari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:297) namelijk bepaald dat het niet melden van de aanvang van de detentieperiode door de verzekerde niet het gevolg heeft dat alle rechten en plichten uit hoofde van de zorgovereenkomst niet worden opgeschort.
Hoewel [gedaagde] – tot het moment van overlegging van het detentieoverzicht- heeft nagelaten de detentieperiodes waarop de facturen van 13 oktober 2015 en 19 april 2016 aan Menzis te melden worden de rechten en verplichtingen uit de zorgverzekering wel van rechtswege opgeschort. Menzis kan daarom geen betaling door [gedaagde] van eigen risiconota’s vorderen over deze periode. Menzis heeft nog een beroep op onverschuldigde betaling gedaan, nu [gedaagde] tijdens detentie zorg heeft ontvangen en de kosten van de zorgverlener door Menzis zijn vergoed. Nu geoordeeld is dat alle rechten en verplichtingen uit de zorgverzekering gedurende de detentie van [gedaagde] zijn opgeschort, is hij in deze periodes niks aan de zorgverzekeraar verschuldigd. Dat Menzis tijdens detentie declaraties van zorgverleners heeft vergoed, regardeert [gedaagde] als verzekerde dan ook niet.
De vordering ten aanzien van de nota’s van 13 oktober 2015 en 19 april 2016 worden daarom afgewezen. Op de hoofdsom strekt daardoor in mindering een bedrag van € 62,91
(€ 37,35 + € 25,56), waardoor aan hoofdsom in totaal een bedrag van € 680,86 (€ 748,21 –
€ 62,91 - € 4,44) wordt toegewezen. De niet betwiste en op grond van de wet verschuldigde rente wordt over een bedrag van € 680,86 toegewezen, vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van volledige betaling.
Menzis maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 135,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Menzis heeft voldoende gesteld dat [gedaagde] is aangemaand conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag is hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Het bedrag wordt toegewezen tot het wettelijke tarief van € 123,58 inclusief btw.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daardoor de proceskosten betalen.
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag ter hoogte van € 804,44 (€ 680,86 + € 123,58) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 680,86 vanaf de datum van verzuim tot aan de datum van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van Menzis begroot op € 103,07, € 486,00 aan griffierecht en € 360,00 aan salaris gemachtigde;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op |
||