Civiel recht overig

Bestuurders van stichting aansprakelijk voor verdwenen subsidiegeld? Tijdig verjaring gestuit? Rectificatie…

Rechtbank Gelderland, 11 november 2020

Zaakgegevens

Op 11 november 2020 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
11 november 2020
Datum publicatie
11 november 2020
Zaaknummer
8434654 \ CV EXPL 20-3485
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2020:5995
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bestuurders van stichting aansprakelijk voor verdwenen subsidiegeld? Tijdig verjaring gestuit? Rectificatie procespartij. Ernstige verwijtbaarheid bestuurders.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8434654 \ CV EXPL 20-3485 \ 42693 \ 32568

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Gelderland

zetelende te Arnhem

eisende partij

gemachtigde mr. E. van der Ploeg

tegen

1 [gedaagde 1]

wonende te Westervoort

2. [gedaagde 2]

wonende te Westervoort

gedaagde partijen

gemachtigde mr. H.A. Wiggers

Partijen worden hierna Provincie Gelderland, [gedaagde 1], [gedaagde 2] en (gezamenlijk) [gedaagden] (mannelijk enkelvoud) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 juni 2020 en de daarin genoemde processtukken

- de akte producties, tevens verzoek om vergoeding werkelijke kosten aan de zijde van [gedaagden] met producties

- de akte rectificatie aan de zijde van de Provincie Gelderland met producties

- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 januari 2003 is de vennootschap onder firma (hierna vof) A Million Minds (hierna AMM) opgericht met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als vennoten.

2.2.

Op 20 april 2007 is Stichting Alpine Skiclub Nederland (hierna ASN) opgericht met [gedaagde 1] als voorzitter en [gedaagde 2] als secretaris. [gedaagden] is gezamenlijk bevoegd.

2.3.

Op 10 maart 2009 is Stichting CIKO Business (hierna CIKO) opgericht met [gedaagde 1] als voorzitter en [gedaagde 2] als bewaarder van de boeken en bescheiden.

2.4.

Bij besluit van 4 december 2012 hebben de Gedeputeerde Staten van Gelderland voor het project ‘Atletiekschool Overstag’ aan ASN een subsidie verstrekt van € 20.000,-. In het besluit staat:

“Activiteiten

U ontvangt subsidie voor de volgende activiteiten:

? Het oprichten van een talentencentra om het topatletiekklimaat in Gelderland te verbeteren voor jeugd in de leeftijdscategorie 13 jaar t/m 23 jaar met bovengemiddelde aanleg voor atletiek.

Hiervoor worden extra trainingsprogramma’s verzorgd door toptrainers.
Het begeleiden in het vormen en omgaan met ambitie.
Het begeleiden in omgaan met sport en privé.
Het begeleiden en ondersteunen van opvoeders in het omgaan met (sub) topsport.
Het deelnemen aan landelijke en internationale atletiekwedstrijden.

De omschrijving van deze activiteiten is gebaseerd op uw aanvraag.

Verplichtingen

- Voor de uitvoering van uw project bent u gebonden aan de verplichtingen opgenomen in de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 en de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011.

- U realiseert de activiteiten in de periode van 1 september 2012 tot 1 september 2015.

Meldingsplicht

Indien u de activiteiten niet gaat uitvoeren, informeert u ons schriftelijk binnen twee weken na het bekend worden daarvan.”

2.5.

Op het verzoek van ASN is het subsidiebedrag op 19 december 2012 door de Gedeputeerde Staten van Gelderland overgemaakt naar CIKO.

2.6.

[gedaagden] is bij brief van 13 maart 2014 door de toezichthouder in de zin van artikel 5:1 AWB gevorderd om mee te werken aan een onderzoek naar de aanwending van subsidiegelden door ASN.

2.7.

Op 27 maart 2014 heeft een inlichtingengesprek plaatsgevonden

2.8.

Op 3 april 2014 is een hoorzitting gehouden inzake de subsidieverlening aan ASN. [gedaagden] is gehoord door de hoorcommissie.

2.9.

Bij besluit van 7 oktober 2014 hebben de Gedeputeerde Staten van Gelderland de subsidie ingetrokken, omdat ASN niet heeft voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

2.10.

Op 1 januari 2017 is AMM ontbonden.

2.11.

Op 7 februari 2019 zijn CIKO en ASN opgehouden te bestaan wegens een gebrek aan baten. Dit is per 11 februari 2019 geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

2.12.

Op 4 oktober 2019 heeft een deurwaarder, in opdracht van Provincie Gelderland, [gedaagden] bij exploot gesommeerd tot betaling van € 20.000,- omdat zij – volgens Provincie Gelderland – subsidiegelden aan ASN heeft onttrokken en daarmee onrechtmatig jegens Provincie Gelderland heeft gehandeld. Daarnaast is bij het exploot aangezegd dat de verjaring van deze vordering bij het exploot is gestuit.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Provincie Gelderland vordert dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, veroordeelt om aan haar te betalen € 21.415,07, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, althans over € 20.000,- vanaf 25 maart 2020, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. De vordering bestaat uit een bedrag van € 20.000,- aan hoofdsom, € 235,32 aan verschenen rente en € 1.179,75 aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Provincie Gelderland baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. [gedaagden] heeft als bestuurder van ASN jegens Provincie Gelderland onrechtmatig gehandeld omdat hij de subsidie voor andere doeleinden heeft aangewend dan waarvoor deze was verstrekt. Zo is € 17.500,- gebruikt voor het aanvullen van tekorten van de vof van [gedaagden] (AMM) en € 2.500,- voor een andere stichting van [gedaagden] (CIKO), alsmede voor persoonlijke uitgaven. Er kan [gedaagden] daarom een ernstig verwijt worden gemaakt, op grond waarvan hij persoonlijk aansprakelijk is voor de door Provincie Gelderland geleden schade. Ondanks aanmaningen heeft [gedaagden] het verschuldigde bedrag niet terugbetaald, zodat hij ook buitengerechtelijke kosten en rente verschuldigd is.

3.3.

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer dat neerkomt op het volgende. De vordering op [gedaagden] is verjaard. In maart 2014 was Provincie Gelderland al bekend met het feit dat de activiteiten voor de subsidie niet waren uitgevoerd. Ook was het voor Provincie Gelderland duidelijk dat sprake was van wanbestuur en [gedaagden] ernstige persoonlijke fouten te verwijten waren. Blijkbaar heeft Provincie Gelderland bij brief van 23 juli 2014 ASN op de hoogte gesteld van het voornemen tot intrekking. Provincie Gelderland was dus bekend met de schade (ter hoogte van het subsidiebedrag) en met de dader, vgl. artikel 3:310 BW. Vanaf dat moment is de verjaringstermijn van 5 jaar gaan lopen. Het exploot van 4 oktober 2019 is de eerste keer dat een stuitingshandeling is verricht, zodat de vordering is verjaard.

In de tweede plaats voert [gedaagden] aan dat de Gedeputeerde Staten van Provincie Gelderland geen procespartij zijn. Zij hebben dus geen vordering op [gedaagden]

betwist tenslotte dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft zich naar behoren en gedurende jaren ingespannen om het project tot een goed einde te brengen. Daarnaast betwist hij de causaliteit tussen het handelen van [gedaagden] en de gestelde schade. Voor zover er al schade is, is dit te wijten aan de eigen schuld van Provincie Gelderland. Zij heeft geen, althans onvoldoende, maatregelen getroffen om de schade te beperken. Verder verzet de redelijkheid en billijkheid zich tegen de vordering van Provincie Gelderland. Zo is [gedaagden] apart gehoord en heeft hij daarna nooit meer wat gehoord. Hij hoefde daarom geen claim van Provincie Gelderland te verwachten. Ook staan de beginselen van behoorlijk bestuur aan toewijzing van de vordering in de weg.

[gedaagden] voert ook verweer tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten.

Bij akte heeft [gedaagden] verzocht om een reële proceskostenvergoeding. Er is sprake van misbruik van procesrecht, aldus [gedaagden]

4 De beoordeling

Rectificatie

4.1.

Bij akte heeft Provincie Gelderland rectificatie van de dagvaarding verzocht, in die zin dat niet ‘de gedeputeerde staten van de Provincie Gelderland’ de eiser is, maar de ‘publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Gelderland’. Zij stelt dat de vergissing voor [gedaagden] kenbaar was, [gedaagden] niet in zijn belangen is geschaad en de rectificatie tijdig was.

4.2.

[gedaagden] voert aan dat geen sprake is van een duidelijke verschrijving. Daarbij geldt dat de Gedeputerde Staten van Gelderland en Provincie Gelderland niet vereenzelvigd kunnen worden, aldus [gedaagden]

4.3.

Rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij-aanduiding is een aanvaardbaar middel tot herstel van een gemaakte vergissing wanneer het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij (in dit geval [gedaagden]) kenbaar was dat van een vergissing sprake was, die wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in zijn verdediging geschaad, en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden (vgl. HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2798 en HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765). Dit sluit aan bij de deformalisering van het procesrecht, waarbij het gaat om een streven om gebreken in de naleving van formele regels waar mogelijk te herstellen.

In dit geval heeft Provincie Gelderland onder haar eigen naam [gedaagden] bij exploot van 4 oktober 2019 gesommeerd tot betaling, zodat het voor hem ook kenbaar kon zijn dat Provincie Gelderland de eisende partij was in deze procedure. Daarnaast is [gedaagden] niet benadeeld of in zijn verdediging geschaad door de rectificatie. [gedaagden] heeft immers ook inhoudelijk verweer gevoerd. Verder is de rectificatie, hoewel deze eerder plaats had kunnen vinden, tijdig in het geding gebracht. Er is daarom, mede gelet op de deformalisering, voldaan aan de vereisten voor de rectificatie. De kantonrechter leest om die reden ‘de gedeputeerde staten van de Provincie Gelderland’ als ‘publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Gelderland’ en neemt in het vonnis ook deze partij als eiser op.

Verjaring

4.4.

Met betrekking tot het verjaringsverweer overweegt de kantonrechter als volgt. De Hoge Raad heeft bepaald dat de korte verjaringstermijn (van vijf jaar) van artikel 3:310 BW niet kan gaan lopen voordat de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is geworden en daarmee ook niet voordat deze is ontstaan (zie HR 06-04-2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784). Voor de aanvang van de verjaring is dus niet voldoende dat al eerder bekend is dat schade geleden zal gaan worden en wie daarvoor aansprakelijk is. Provincie Gelderland heeft de subsidie bij besluit van 7 oktober 2014 ingetrokken. De vordering van Provincie Gelderland op [gedaagden] was daarom pas op zijn vroegst vanaf 7 oktober 2014 opeisbaar. In de periode vóór de intrekking was er immers nog geen mogelijkheid om de schade op te eisen van [gedaagden] Ook al had Provincie Gelderland vanaf de verhoren in april 2014 het vermoeden dat het subsidiegeld niet goed was aangewend, pas om 7 oktober 2014 is een formeel besluit tot terugvordering genomen. Voor die tijd was het nog mogelijk dat één van de vennootschappen van [gedaagden] of [gedaagden] zelf de subsidiegelden zou terugbetalen. Immers bij brief van 23 juli 2014 heeft Provincie Gelderland het voornemen tot intrekking van de subsidie kenbaar gemaakt aan de voorzitter van ASN ([gedaagde 1]), waarop ASN kon reageren.

De verjaring is daarom op zijn vroegst gaan lopen per 7 oktober 2014, zodat Provincie Gelderland op 4 oktober 2019 tijdig de verjaring heeft gestuit. Het verweer dat de vordering is verjaard wordt dan ook verworpen.

Bestuurdersaansprakelijkheid

4.5.

Voor bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder zijn bestuurszaak niet behoorlijk heeft uitgeoefend en hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt,

is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)).

4.6.

[gedaagden] heeft niet betwist dat al voordat ASN (via de bankrekening van CIKO) de subsidie had ontvangen, een groot deel (€ 17.500,-) was uitgeleend aan AMM. [gedaagden] heeft die lening bewust verstrekt aan zijn eigen vof, die op dat moment kampte met financiële problemen. Duidelijk was dus dat met de som van € 17.500,- een gat werd gedicht en dat het bedrag niet is gebruikt waarvoor het bedoeld was. Het voornemen om dat bedrag over te hevelen naar de noodlijdende vof heeft [gedaagden] bewust niet aan Provincie Gelderland gemeld. De passage op bladzijde 6 uit het verhoor van 3 april 2014, welke volgt op een vragenreeks over de lening aan de vof AMM, toont dat aan (schuin gedrukt is de vraag van de toezichthouders):

“U heeft de bestemming van het geld op korte termijn bewust niet doorgegeven omdat u vermoedde dat daarmee het subsidiegeld op korte termijn niet zou worden overgemaakt

Mevrouw [gedaagde 1] ja, dat is correct.”

Gesteld noch gebleken is dat AMM de lening, waar [gedaagden] als vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor is, heeft terugbetaald. ASN is vervolgens door [gedaagden] opgeheven bij een gebrek aan baten. Die opheffing is door [gedaagden] niet kenbaar gemaakt aan Provincie Gelderland. De overige € 2.500,- stond op de ‘gewone betaalrekening’ van CIKO en is in de loop van 2013 opgegaan aan ‘allerlei betalingen voor de exploitatie van CIKO’ (aldus [gedaagde 2] in het verhoor van 3 april 2014). Die som is dus opgemaakt door een door [gedaagden] bestuurde andere stichting, aan wie de subsidie niet was toegekend. [gedaagden] wist dat hij de subsidie enkel mocht besteden aan de daarvoor genoemde doelen, zoals beschreven in het besluit bij de toekenning van de subsidie. Het uitlenen en/of uitgeven van het geld aan/door een andere vennootschap valt niet onder deze doelen. De slotsom is dat het gehele subsidiebedrag verdwenen is door handelingen van [gedaagden] en ten goede is gekomen aan vennootschappen van [gedaagden] Daardoor heeft [gedaagden] bewerkstelligd dat ASN haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Dat hij te kampen zou hebben gehad met ‘weerstand en politiek’ en ‘zakelijke geschillen’, zoals is betoogd, vormt hiervoor geen rechtvaardiging. Het voorgaande brengt met zich dat ASN onrechtmatig heeft gehandeld jegens Provincie Gelderland en dat [gedaagden] als bestuurder een ernstig verwijt hiervan kan worden gemaakt.

4.7.

Door het onrechtmatig handelen van [gedaagden] heeft Provincie Gelderland € 20.000,- schade, wegens de niet terugbetaalde subsidie. [gedaagden] betwist de causaliteit tussen de schade en het onrechtmatige handelen, omdat het hem onmogelijk is gemaakt zijn plannen uit te voeren. Dit verweer wordt gepasseerd. Niet de omstandigheid dat de plannen niet zijn uitgevoerd en/of dat de doelstellingen niet zijn gehaald, hebben tot de schade geleid. Zoals hiervoor overwogen, heeft [gedaagden] zelf de keuze gemaakt om de subsidie anders te besteden dan waar deze voor bedoeld was, waardoor de schade is ontstaan.

4.8.

Daarnaast ziet de kantonrechter op grond van het bovenstaande niet in dat de vordering van Provincie Gelderland moet worden afgewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid, dan wel op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat hiervan sprake zou zijn, is door [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd.

4.9.

Concluderend heeft [gedaagden] onrechtmatig gehandeld en zijn bestuurstaak niet behoorlijk uitgeoefend, waarvoor [gedaagden] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De gevorderde schadevergoeding van € 20.000,- wordt daarom toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.10.

[gedaagden] betwist dat hij in de zin van artikel 6:96 lid 5 BW is aangemaand, zodat de buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen. Artikel 6:96 lid 5 (alsmede lid 6 en 7) zijn een uitwerking van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op de vordering van Provincie Gelderland is het Besluit, gelet op artikel 1 daarvan, niet van toepassing. Provincie Gelderland hoefde daarom niet te voldoen aan artikel 6:96 lid 5 BW. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat Provincie Gelderland buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit en, hoewel niet rechtstreeks van toepassing, worden die tarieven geacht redelijk te zijn. De vordering (€ 1.179,75) is daarom toewijsbaar.

Wettelijke rente

4.11.

[gedaagden] betwist dat de rente vanaf 3 september 2019 verschuldigd is. Provincie Gelderland stelt dat zij aansluiting heeft gezocht bij de als productie 7 overgelegde aanmaningen.

[gedaagden] heeft echter de ontvangst van die aanmaningen betwist. Daarop heeft Provincie Gelderland onvoldoende gesteld dat die aanmaningen wel zijn ontvangen. De wettelijke rente wordt daarom, gelet op de betalingstermijn van twee dagen in het exploot van 4 oktober 2019, toegewezen vanaf 7 oktober 2019.

4.12.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

Proceskosten

4.13.

[gedaagden] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De kosten voor de akte rectificatie blijven voor Provincie Gelderland.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, om aan Provincie Gelderland te betalen een bedrag van € 21.179,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 20.000,- vanaf 7 oktober 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Provincie Gelderland begroot op € 110,61 aan dagvaardingskosten, € 996,- aan griffierecht en € 960,- aan salaris voor de gemachtigde;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op