Civiel recht overig
Eindvonnis na bewijslevering omvang schade als gevolg van werkzaamheden aan badkamer. Gedaagde heeft niet…
Rechtbank Gelderland, 30 juli 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:5914 · Rechtbank Gelderland · 30 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2025-5914
Zaakgegevens
Op 30 juli 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 30 juli 2025
- Datum publicatie
- 23 juli 2025
- Zaaknummer
- 11200339
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5914
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindvonnis na bewijslevering omvang schade als gevolg van werkzaamheden aan badkamer. Gedaagde heeft niet meer gereageerd. Vordering toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11200339 \ CV EXPL 24-5630
Vonnis van 30 juli 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Assen,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 april 2025
- de akte van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Wat in voormeld tussenvonnis is overwogen wordt hier overgenomen.
In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld de omvang en de hoogte van de schade te bewijzen. [eiser] heeft bij akte van 14 mei 2025 onder verwijzing naar diverse producties een toelichting gegeven op de gevorderde schade. Zo heeft [eiser] toegelicht dat schade-expert [bedrijf 2] op 19 oktober 2023 ter plaatse is geweest om een onderzoek te verrichten in de woning van [eiser] , waarna een schaderapport is opgemaakt. [eiser] heeft dit schaderapport bij zijn laatste akte overgelegd. Daarin is de volgende schadevaststelling opgenomen waaruit blijkt dat de schade in totaal € 6.820,00 bedraagt:
[afbeelding niet beschikbaar]Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] . Dat betekent dat [eiser] geslaagd is in zijn bewijsopdracht en daarmee is vast komen te staan dat de door [eiser] geleden schade bestaat uit een bedrag van € 6.820,00. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.
[gedaagde] heeft de gevorderde wettelijke rente niet weersproken zodat deze wordt toegewezen als gevorderd.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 716,00 worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
140,24 |
|
|
- griffierecht |
€ |
248,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.017,00 |
(3 punten × € 339,00) |
|
- nakosten |
€ |
135,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.540,24 |
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.820,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 716,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 13 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.540,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025. |
||
34124 / 53854