Civiel recht overig
Kanton. Kort geding. Vordering betaling ziektewetuitkering. Werkgever is eigenrisicodrager…
Rechtbank Gelderland, 25 augustus 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:5450 · Rechtbank Gelderland · 25 augustus 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbgel-2017-5450
Zaakgegevens
Op 25 augustus 2017 heeft de Rechtbank Gelderland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2017
- Datum publicatie
- 20 oktober 2017
- Zaaknummer
- 6120618 \ VV EXPL 17-113 \ 474 \ 858
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5450
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kanton. Kort geding. Vordering betaling ziektewetuitkering. Werkgever is eigenrisicodrager. Niet-ontvankelijk; aanspraken van eiser zijn bestuursrechtelijk van aard.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 6120618 \ VV EXPL 17-113 \ 474 \ 858
uitspraak van 25 augustus 2017
vonnis in kort geding
in de zaak van
[eiser]
[woonplaats]
eisende partij
gemachtigde mr. A.O.C.A. van Schravendijk
procederende krachtens toevoegingsnummer 2FM5927
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JVH Hospitality B.V.
gevestigd te 's-Hertogenbosch
gedaagde partij
gemachtigde mr. K.L.M. Kaldenbach
Partijen worden hierna [eiser] en JVH genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juli 2017 met producties
- de mondelinge behandeling van 15 augustus 2017 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van JVH.
2 Het geschil en de beoordeling daarvan
[eiser] vordert op de in de dagvaarding vermelde gronden de veroordeling van JVH tot betaling van de ziektewetuitkering ten bedrage van € 959,97 bruto per maand vanaf 15 februari 2017 tot en met 12 januari 2019, dan wel 12 januari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de onder I en II van de eis geformuleerde vorderingen. Onder III vordert [eiser] de veroordeling van JVH tot afgifte van bruto/netto specificaties op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Tot slot wordt de veroordeling van JVH tot betaling van de proceskosten gevorderd.
JVH concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen; subsidiair tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] tot betaling van de proceskosten.
Verwezen wordt naar de door de gemachtigde van JVH overgelegde pleitnota.
Naar het oordeel van de kantonrechter treft het primaire verweer van JVH doel. [eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde procespartij veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Motivering
In ieder geval staat tussen partijen vast dat de voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst is beëindigd op 14 februari 2017. Tussen partijen is nog in geschil de rechtsgeldigheid van het eerder door JVH aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft bij beschikking d.d. 10 mei 2017 dat ontslag vernietigd. Van deze beschikking is JVH in hoger beroep gegaan.
Voor de beoordeling in dit kort geding kan de beschikking van de kantonrechter buiten beschouwing worden gelaten. In ieder geval staat als beëindigingsdatum vast de datum van 14 februari 2017.
[eiser] stelt dat hij wegens ziekte niet in staat was (en is) tot het verrichten van arbeid en dat hij ziek uit dienst is getreden bij JVH. JVH is volgens [eiser] als eigenrisicodrager gehouden hem de gevorderde ziektewetuitkering te betalen.
Naar het oordeel van de kantonrechter voert JVH op goede gronden het verweer dat [eiser] niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (in ieder geval per 14 februari 2017) is er geen sprake van een civielrechtelijke vordering van [eiser] . De pretense aanspraken van [eiser] (overigens ook inhoudelijk betwist door JVH) zijn bestuursrechtelijk van aard. [eiser] moet zich tot het UWV richten met het verzoek om een ziektewetuitkering. Omdat JVH eigenrisicodrager is, zal het UWV aan JVH vragen de beschikking op grond van de Ziektewet voor te bereiden, waarbij JVH de wet- en regelgeving waar het UWV zelf ook aan gehouden is in acht moet nemen, zoals het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten en de Controlevoorschriften Ziektewet 2010.
Nu het primair verweer van JVH slaagt, behoeft de kantonrechter de overige verweren en geschilpunten niet te bespreken.
3 De beslissing
De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens JVH;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van JVH begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.
|
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017 |
||