Strafrecht overig

Verlenging gevangenhouding uitleveringswet

Rechtbank Gelderland, 10 april 2020

Zaakgegevens

Op 10 april 2020 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
10 april 2020
Datum publicatie
15 april 2020
Zaaknummer
UTL-I-2012047873
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2020:2260
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging gevangenhouding uitleveringswet

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 19/312

Lurisnummer : UTL-I-2012047873

Zittingsdatum : 10 april 2020

Datum beslissing : 10 april 2020

BESLISSING van de rechtbank Gelderland, meervoudige rechtbank voor strafzaken, zittinghoudende te Arnhem, in de zaak van:

naam : [opgeëiste persoon], hierna te noemen: opgeëiste persoon,

geboren op : [geboortedag] 1982, [geboorteplaats] (Turkije),

thans verblijvende : [huis van bewaring] ,

Raadsvrouw: mr. A.F.M. Oudijk, advocaat te Utrecht.

PROCEDURE

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak genomen maatregelen is de rechtbank gesloten en is de zaak niet op een openbare terechtzitting behandeld. Dit is via e-mail kenbaar gemaakt aan alle procesdeelnemers alsmede aan de (advocaat van de) benadeelde partij.

De rechtbank heeft er naar gestreefd de doelen en belangen die gediend zijn met een dergelijke behandeling zoveel mogelijk te waarborgen, door de betrokken procespartijen op voorhand te informeren en - voor zover sprake is van voorlopige hechtenis - van hen voorafgaand aan de zitting (per mail) standpunten in te winnen. De situatie van een anders openbare terechtzitting heeft de rechtbank aldus zoveel mogelijk nagebootst, waarbij de rechters uit de zittingscombinatie vervolgens in gezamenlijk overleg tot de hierna te vermelden beslissingen zijn gekomen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de op 18 maart 2020 door de officier van justitie gedane vordering tot verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen, alsmede van de onderliggende stukken.

De officier van justitie, mr. M.J. van Dijck-Jager heeft per mail van 8 april 2020 schriftelijk haar standpunt verwoord. Zij heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. A.F.M. Oudijk, heeft bij mail van 9 april 2020 hierop gereageerd.

De officier van justitie heeft in tweede termijn gereageerd bij mail van 9 april 2020. De raadsvrouw heeft in tweede termijn gereageerd bij mail van 10 april 2020.

BEOORDELING

Op 13 januari 2017 is door de meervoudige rechtbank van deze rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen in verband met de behandeling van een verzoek tot uitlevering aan Turkije.

Op diezelfde datum is de gevangenhouding geschorst onder bepaalde voorwaarden, als bedoeld in artikel 56 lid 2 van de Uitleveringswet jo. artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering. Het uitleveringsverzoek is op 27 januari 2017 door de rechtbank toelaatbaar verklaard.

De schorsing is bij beslissing van 31 mei 2019 van de rechtbank opgeheven -in verband met overtreding van het schorsingsbevel- per 17 januari 2020 (of zo veel eerder of later als de opgeëiste persoon voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld).

Bij beslissing van 6 maart 2020 heeft de rechtbank de gevangenhouding laatstelijk met de duur van 30 dagen verlengd. Het bevel gevangenhouding is van kracht tot 18 april 2020.

Vordering verlenging gevangenhouding

Bij beschikking van 5 juli 2019 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid de verzochte uitlevering toegestaan.

De verdediging heeft bij de civiele rechter een voorlopige voorziening verzocht om -kort gezegd- primair de Staat te bevelen de opgeëiste persoon niet uit te leveren aan Turkije en zijn hechtenis op te heffen. De voorzieningenrechter heeft die vordering afgewezen. De verdediging heeft daartegen spoedappel ingesteld, dat behandeld zou worden ter zitting van het gerechtshof Den Haag op 23 april 2020. Vanwege het coronavirus zal die zitting geen doorgang vinden. De verdediging wordt tot 19 mei 2020 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vraag van het gerechtshof of zij akkoord is met een schriftelijke afdoening. Hierdoor heeft de afhandeling van het spoedappel vertraging opgelopen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot verlenging van de gevangenhouding dient te worden afgewezen, nu de definitieve beslissing van het spoedappel op zich laat wachten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat -gelet op de huidige omstandigheden met het coronavirus- geen sprake is van een zodanig lange termijn waarbinnen de appelbeslissing kan worden verwacht, dat sprake is van een uitzichtloze situatie.

Ingevolge artikel 38, derde lid, aanhef en onder d, van de Uitleveringswet kan de verlenging van de gevangenhouding worden uitgesproken in gevallen waarin de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een uitzichtloze situatie op grond waarvan de vordering tot verlenging van de gevangenhouding zou moeten worden afgewezen, zodat de vordering opnieuw met dertig dag zal worden verlengd.

Schorsing uitleveringsdetentie

De raadsvrouw heeft bij mail van 9 april 2020 de schorsing van de uitleveringsdetentie verzocht, onder vermelding van de gronden

De officier van justitie stelt zich bij mail van 9 april 2020 (in afwijking van haar mail op 8 april 2020) uiteindelijk op het standpunt dat gelet op de artikelen 56 jo 36 van de Uitleveringswetboek geen schorsingsverzoek meer kan worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft vervolgens bij mail van 10 april 2020 bericht dat de rechtbank op

7 februari 2020 een eerder schorsingsverzoek wel degelijk inhoudelijk heeft beoordeeld, terwijl de officier van justitie op dat moment overeenkomstig artikel 36 Uitleveringswet ook al in kennis was gesteld van de beslissing van de Minister waarbij de uitlevering is toegestaan. Om die reden is volgens haar een schorsingsverzoek op dit moment wel degelijk mogelijk.

De rechtbank is alsnog met de officier van justitie van oordeel dat gelet op artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet het niet mogelijk is om de uitleveringsdetentie voorwaardelijk op te schorten of te schorsen, omdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 van de Uitleveringswet in kennis is gesteld van de beslissing van de minister de uitlevering toe te staan.

Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel volgt dat het doel van artikel 56 van de Uitleveringswet is om te voorkomen dat een niet-gedetineerde opgeëiste persoon zich aan feitelijke uitlevering kan onttrekken en daarmee de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid kan frustreren. Het gerechtshof Amsterdam komt tot een zelfde uitleg van (artikel 56 van) de Uitleveringswet . De rechtbank verwijst in het bijzonder naar de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2006 (ECLI:NL: GHAMS: 2006/AV6832) en 11 februari 2015 (ECLI: NL: GHAMS: 2015/5739)), waarin het hof overweegt: “Uit de wet en de zojuist aangehaalde Memorie van Toelichting blijkt dat een schorsing van rechtswege eindigt nadat de officier van justitie in kennis is gesteld van zijn beslissing tot uitlevering. Dit impliceert naar het oordeel van het hof dat uitdrukkelijk bedoeld is dat na dit moment schorsing niet meer tot de mogelijkheden behoort”.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft inmiddels op 31 juli 2019 eveneens beslist dat gelet op artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet schorsing niet mogelijk is nu de minister de officier van justitie in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de uitlevering toe te staan.

Het voorgaande betekent dan ook dat de rechtbank op grond van het debat ter zitting van

7 februari 2020 in feite ten onrechte het bij die gelegenheid gedane schorsingsverzoek inhoudelijk heeft behandeld (waardoor de opgeëiste persoon overigens niet in zijn belangen is geschaad). Het onderhavige verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie dient dan ook te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst toe de vordering van de officier van justitie;

verlengt de termijn van het bevel tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon voor een termijn van 30 (dertig) dagen;

wijst af het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie.

Deze beslissing is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, als voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. H.C. Leemreize, als rechters in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier.

De rechters en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen. Daarom is in opdracht getekend door een dienstdoende tekenrechter.

Waarvan is op gemaakt dit proces-verbaal, op 10 april 2020

Naam en handtekening tekenrechter: mr.

ECLI:NL:GHARL:2019:7022