Strafrecht overig
Beslissing: De rechtbank wijst de vordering tot aanpassing van de bijzondere voorwaarde toe en bepaalt dat…
Rechtbank Amsterdam, 15 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10149 · Rechtbank Amsterdam · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbams-2026-10149
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13/150320-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10149
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing: De rechtbank wijst de vordering tot aanpassing van de bijzondere voorwaarde toe en bepaalt dat het locatieverbod en het locatiegebod met elektronische monitoring komen te vervallen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/150320-24
Uitspraakdatum: 15 september 2026
Beslissing na veroordeling tot voorwaardelijke straf
Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam tot
aanpassing van de bijzondere voorwaarden opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van 26 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna: de veroordeelde.
De veroordeelde is bij eerder genoemd vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 15 (vijftien) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De rechtbank heeft daarbij onder andere de volgende bijzondere voorwaarden gesteld:
- Locatieverbod (met elektronische monitoring)
De veroordeelde bevindt zich niet in een straal van 5 kilometer rondom de [adres 1] te Amsterdam. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft.
- Locatiegebod (met elektronische monitoring)
De veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het huidige verblijfadres [adres 2] te Amsterdam. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod.
Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.
Bij beslissing van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2026 is de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het locatieverbod gewijzigd, zodat die bijzondere voorwaarde als volgt is komen te luiden:
- Locatieverbod (met elektronische monitoring)
De veroordeelde bevindt zich niet in het stadsdeel Amsterdam-Noord. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft.
De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie strekt tot het aanpassen van de bijzondere voorwaarde conform het advies van de reclassering van 26 maart 2026, in die zin dat het locatieverbod met elektronische monitoring komt te vervallen.
De procesgang
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat de officier van justitie, S.W.M van der Linde, de veroordeelde en zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De standpunten
De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar het advies
van de reclassering tot het wijzigen van de bijzondere voorwaarde. De reclassering is, gelet op het lage recidiverisico, van mening dat het voortzetten van het locatieverbod met elektronische monitoring geen toegevoegde waarde meer heeft en adviseert om deze te laten vervallen.
De raadsman heeft namens de veroordeelde verzocht om de vordering toe te wijzen.
De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de elektronische monitoring aan zowel het locatiegebod als het locatieverbod is gekoppeld. Bij een toewijzing van de vordering zal dus ook de elektronische monitoring van het locatiegebod vervallen. De rechtbank ziet zich gelet op de vordering van de officier van justitie voor de vraag gesteld of in dat scenario de voorwaarde van het locatiegebod nog zinvol is. Uit het advies van de reclassering volgt dat de veroordeelde zich toegankelijk heeft opgesteld naar de reclassering en dat hij zijn afspraken goed nakomt. Het feit dat de veroordeelde zich focust op zijn familie wordt als beschermende factor gezien. Verder heeft de veroordeelde afstand genomen van zijn negatieve sociale netwerk, wat wordt bevestigd door de wijkagent en het ontbreken van politiemutaties. Het recidiverisico wordt hierdoor als laag ingeschat. De rechtbank kan zich, gelet op deze ontwikkelingen, vinden in het laten vervallen van het locatieverbod met elektronische monitoring als voorwaarde. Diezelfde omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat het handhaven van het locatiegebod evenmin toegevoegde waarde meer heeft. Het locatiegebod ziet net als het locatieverbod op het beperken van de bewegingsvrijheid met als doel het verlagen van het recidiverisico. Nu de veroordeelde zich ook voor wat betreft het locatiegebod goed aan de afspraken houdt en elektronische monitoring ter controle hiervan volgens de reclassering niet meer noodzakelijk is, bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin noodzaak meer voor het opgelegde locatiegebod. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook de vordering van de officier van justitie verdergaand toewijzen in die zin dat niet alleen het aan de veroordeelde opgelegde locatieverbod maar ook het locatiegebod met elektronische monitoring komt te vervallen. De rechtbank bepaalt dat de enkelband van de veroordeelde zo snel mogelijk zal worden verwijderd.
De beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering tot aanpassing van de bijzondere voorwaarde toe en bepaalt dat het locatieverbod en het locatiegebod met elektronische monitoring komen te vervallen.
Deze beslissing is op 15 september 2026 gegeven door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter.
mrs. D.M.S. Gribling en L.A.L. Wiersinga, rechters.
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier.