Strafrecht overig

Voorwaardelijke invrijheidstelling. Hernieuwde uitstel VI toelaatbaar i.v.m. datum opname in verslavingskliniek.

Rechtbank Gelderland, 20 maart 2026

Zaakgegevens

Op 20 maart 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
20 maart 2026
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
881035-17
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2678
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorwaardelijke invrijheidstelling. Hernieuwde uitstel VI toelaatbaar i.v.m. datum opname in verslavingskliniek.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/881035-17

VI-zaaknummer: 89-00094-37

Datum uitspraak: 20 maart 2026

Voorwaardelijke invrijheidstelling

Beslissing van de enkelvoudige raadkamer (artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering)

op het bezwaarschrift van

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] (Indonesië),

op dit moment gedetineerd in P.I. [verblijfsplaats] ,

raadsvrouw: mr. W.E.R. Geurts, advocaat in Amsterdam.

Het procesverloop

Het openbaar ministerie heeft bij besluit van 9 februari 2026 de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld met maximaal 30 dagen of zoveel minder dat veroordeelde geplaatst kan worden in de klinische behandelinstelling GGZ [instelling] , te rekenen vanaf 25 februari 2026.

Bij beschikking van 18 februari 2028 [lees: 2026] (ECLI:NL:RBGEL:2026:1401) heeft de rechtbank het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Voor de voorgeschiedenis wordt verwezen naar deze beschikking.

Op 27 februari 2026 heeft het openbaar ministerie de VI nogmaals uitgesteld met vier dagen.

Daartegen is op 12 maart 2026 namens veroordeelde bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is in het openbaar behandeld op 20 maart 2026. Daarbij zijn veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie gehoord.

De beoordeling

Veroordeelde is het niet eens met een nieuw uitstel, ook al betreft het maar 4 dagen. De rechtbank heeft eerder bepaald dat hij op 25 februari in vrijheid diende te worden gesteld waarna het openbaar ministerie dat moment weer met 30 dagen heeft uitgesteld in afwachting van een plaats bij [instelling] . Nu wordt het weer 4 dagen later. Hij heeft er geen vertrouwen in dat hij op 31 maart 2026 daadwerkelijk zal worden opgenomen bij [instelling] .

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het bezwaar.

De rechtbank begrijpt dat betrokkene graag de tussenliggende periode bij familie had willen doorbrengen, maar de rechtbank heeft eerder overwogen dat het van groot belang is dat veroordeelde rechtstreeks vanuit detentie naar GGZ [instelling] gaat om te voorkomen dat hij weer terug valt in middelen gebruik. Dat is niet veranderd. De opnamedatum van 31 maart 2026 is toegezegd door de selectiefunctionaris DIZ en de rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen.

Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Beslissing

De raadkamer verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 maart 2026.