Omgevingsrecht
Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent een limitatieve opsomming…
Rechtbank Haarlem, 27 juni 2011
ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ9927 · Rechtbank Haarlem · 27 juni 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-haarlem/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbhaa-2011-bq9927
Zaakgegevens
Op 27 juni 2011 heeft de Rechtbank Haarlem in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank HaarlemRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 juni 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/3210
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ9927
Samenvatting
Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent een limitatieve opsomming van gronden om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, (het bouwen van een bouwwerk) te weigeren. Dit houdt in dat een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, slechts mag en moet worden geweigerd in de in het artikel opgesomde gevallen. Nu het bouwplan niet in strijd is met een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde toetsingsgronden was verweerder gehouden onderhavige omgevingsvergunning te verlenen.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11 - 3210
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2011
in de zaak van:
[verzoekers] e.a.,
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verweerder,
derde partij,
[naam],
wonende te [woonplaats].
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een woonhuis op het perceel [adres]
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brieven van 3 juni 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 14 juni 2011 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juni 2011, alwaar verzoekers [naam] en [naam] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door [naam], technisch bouwkundige. De derde partij is samen met zijn partner in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. de Man. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R. de Vries.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.
2.2 Het bouwplan betreft het bouwen van een uitbouw op de eerste verdieping en de wijziging van de kapvorm van de woning aan de [adres] Verzoekers, woonachtig aan de [adres], hebben bezwaar tegen de uitbouw. Hun bezwaren zien met name op de belemmering van hun uitzicht, mogelijke gevolgen van het bouwplan voor de waarde van hun woningen, eventuele precedentwerking die van het bouwplan uitgaat, (vrees voor) schade aan hun woningen als gevolg van het bouwplan en de negatieve gevolgen van het bouwplan op de bezonning van hun percelen. Verzoeker [naam] heeft voorts nog naar voren gebracht dat de uitbouw niet past in het achteraanzicht van de klassieke woningen en inbreuk maakt op het originele daklandschap.
2.3 De vergunninghouder is reeds gestart met bouwwerkzaamheden en heeft aangegeven de bouw van de eerste verdieping zoals gepland voort te zetten. Verzoekers hebben derhalve spoedeisend belang bij de behandeling van hun verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar.
2.4 Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kent een limitatieve opsomming van gronden om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo te weigeren. Dit houdt in dat een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts mag en moet worden geweigerd in de in het artikel opgesomde gevallen.
2.5 Tussen partijen is geen onderwerp van debat - en de voorzieningenrechter gaat er vanuit - dat het bouwplan niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Dit betekent dat de door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren, voor zover deze de negatieve gevolgen voor hun woningen en het onvoldoende meewegen van hun belangen betreffen, geen doel treffen. Al deze belangen moeten worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en kunnen niet bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning worden betrokken.
2.6 Voor zover verzoeker [naam] met zijn stelling dat de uitbouw niet past in het achteraanzicht, bedoeld heeft te stellen dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, merkt de voorzieningenrechter op dat het welstandsadvies van de Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit is onderbouwd met een verwijzing naar de van toepassing zijnde gebiedsgerichte welstandscriteria en dat daarin wordt gemotiveerd waarom de uitbouw wat betreft materiaalkeus en detaillering past bij het hoofdvolume. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te concluderen dat verweerder dit advies niet heeft mogen volgen.
2.7 Nu het bouwplan ook overigens niet in strijd is met een van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde toetsingsgronden was verweerder gehouden onderhavige omgevingsvergunning te verlenen.
2.8 Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom de door verzoekers bestreden beslissing in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Daarom bestaat geen aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening, gericht op schorsing van het besluit van 4 mei 2011 totdat op het bezwaar is beslist, toe te wijzen.
2.9 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2011.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.