Vreemdelingenrecht

Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een waardevolle…

Rechtbank Limburg, 26 januari 2023

Zaakgegevens

Op 26 januari 2023 heeft de Rechtbank Limburg in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
26 januari 2023
Datum publicatie
26 januari 2023
Zaaknummer
NL23.1350
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2023:614
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een waardevolle boom. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een taxatierapport. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verzoekers dat uit dit taxatierapport niet kan worden afgeleid dat deze boom een dusdanig veiligheidsrisico oplevert dat de kap van de boom niet kan

worden uitgesteld totdat beslist is op het bezwaarschrift van verzoekers. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.1350


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: 2410009340

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 17 januari 2023 een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft daarop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op

23 januari 2023 het vooronderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 november 2022 (in de zaak NL22.21973) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 7 november 2022, dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

Zicht op uitzetting

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Hij voert daartoe aan dat hij thans drie maanden in vreemdelingenbewaring verblijft en nog steeds niet is verwijderd naar Marokko. De aanvraag tot afgifte van een laissez passer (lp) is reeds op 4 november 2022 verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten en de autoriteiten hebben nog steeds niet gereageerd. Daarbij komt dat ervaringen uit het verleden hebben geleerd dat Marokko niet meewerkt aan de afgifte van lp’s.

5. Uit de voortgangsrapportage leidt de rechtbank af dat verweerder op 4 november 2022 een lp-aanvraag heeft verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Gebleken is dat verweerder maandelijks schriftelijk informeert naar de status van deze lp-aanvraag, laatstelijk op 12 januari 2023. De rechtbank stelt vast dat sinds de lp-aanvraag tot het moment van sluiten van onderzoek in deze zaak circa 11 weken verstreken zijn en dat vier keer is gerappelleerd. Het uitblijven van een reactie vanuit Marokko, ondanks de rapellen, acht de rechtbank op dit moment nog niet zodanig lang dat geconcludeerd moet worden dat er geen zicht op uitzetting is. Er zijn vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de Marokkaanse autoriteiten niet kunnen of niet willen overgaan tot de afgifte van een laissez passer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 14 november 2022 heeft geoordeeld dat er ten aanzien van Marokko in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting. Verder kent de rechtbank gewicht toe aan de op eiser rustende plicht om zelf actieve medewerking te verlenen aan het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Niet gebleken is dat eiser zelf dergelijke inspanningen heeft verricht, terwijl dit wel van hem kan worden gevergd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank vooralsnog geen grond voor het oordeel dat in het geval van eiser het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt.

Voortvarend handelen

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarendheid betracht teneinde zijn uitzetting te bewerkstelligen. Hij voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte gesprekken aanmerkt als ‘vertrekgesprekken’. Eiser heeft op 1 december 2022 op eigen initiatief telefonisch contact opgenomen met verweerder om te vragen naar het telefoonnummer van het Marokkaans consulaat. Verweerder heeft dit telefonische gesprek ten onrechte aangemerkt als een ‘vertrekgesprek.

7. De rechtbank stelt vast dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat, naast de schriftelijke rapellen bij de Marokkaanse autoriteiten, op 1 december 2022 en 4 januari 2023 vertrekgesprekken zijn gehouden met eiser. Voor het standpunt van eiser dat het op

1 december 2022 gehouden gesprek niet kan worden aangemerkt als ‘vertrekgesprek’, ziet de rechtbank onvoldoende grondslag. De omstandigheid dat dit gesprek op initiatief van eiser heeft plaatsgevonden, betekent niet dat dit gesprek daarom niet kan worden aangemerkt als ‘vertrekgesprek’. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat met eiser ook is gesproken over de mogelijkheden om terug te keren naar Marokko. Verweerder heeft dit gesprek daarom mogen aanmerken als een ‘vertrekgesprek’ en derhalve als een uitzettingshandeling. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toets

8. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank, los van de door eiser aangevoerde gronden, in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 januari 2023

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RVS:2022:3269 Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.