Arbeidsrecht

Verstek. Loonvordering toegewezen.

Rechtbank Limburg, 21 september 2026

Zaakgegevens

Op 21 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
21 september 2026
Datum publicatie
21 september 2026
Zaaknummer
12320595 \ CV EXPL 26-3918
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9980
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Loonvordering toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12320595 \ CV EXPL 26-3918

Vonnis in kort geding van 21 september 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] , België,

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. M.G.H. Terhorst,

tegen

[werkgever] B.V.,

tevens handelend onder de naam [handelsnaam],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 18 september 2026
- het jegens [werkgever] verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[werknemer] vordert – samengevat – na vermindering van eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [werkgever] veroordeelt tot:

  1. betaling van het restant van de (netto) reiskostenvergoeding over de periode januari tot en met april 2026, groot € 378,52;

  2. betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de brutoloon- en vakantietoeslagtermijnen, bestaande uit € 2.241,93 over de loontermijnen van januari tot en met april 2026, € 1.262,97 over het loon over de maand mei 2026,
    € 833,56 over het loon over de maand juni en € 505,20 over de vakantietoeslag, derhalve in totaal groot € 4.843,66;

  3. betaling van de wettelijke rente over de onder 2. genoemde wettelijke verhoging en de daaraan ten grondslag liggende brutoloon- en vakantietoeslagtermijnen, telkens vanaf de dag van verschuldigdheid van de desbetreffende termijn, dan wel vanaf de dag van dagvaarden, tot de dag van algehele voldoening;

  4. betaling van het loon over alle loontermijnen vanaf 1 augustus 2026, ten bedrage van € 2.525,94 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag, tot de dag waarop [werkgever] volledig aan haar loonbetalingsverplichting jegens [werknemer] zal hebben voldaan, dan wel tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig eindigt, telkens te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid van de respectieve termijnen tot de dag van algehele voldoening;

  5. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten groot € 636,11;

  6. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dit vonnis plaatsvindt.

2.2.

[werknemer] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [werkgever] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft gesloten en dat [werkgever] stelselmatig tekortschiet om het loon tijdig en/of volledig te betalen. Ook het loon over de maand augustus 2026 is tot op heden niet betaald. Daarom maakt [werknemer] tevens aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

3 De beoordeling

Verstek

3.1.

Uit de dagvaarding blijkt dat [werkgever] op correcte wijze is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Uit de correspondentie van de voormalige advocaat van [werkgever] blijkt voorts dat [werkgever] op de hoogte was van de op haar verzoek gewijzigde zittingsdatum. [werkgever] heeft geen verweerschrift ingediend en is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [werkgever] ontvangen.

3.2.

Aangezien de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, heeft de kantonrechter tegen [werkgever] verstek verleend.

Spoedeisend belang

3.3.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat spoedeisend belang is hier aanwezig, omdat [werkgever] het loon over augustus 2026 niet heeft betaald. Daarmee ziet de vordering van [werknemer] ook op betaling van achterstallig loon waarmee zij in de kosten van levensonderhoud dient te voorzien. Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend. [werknemer] is ontvankelijk in haar vordering.

De vorderingen worden toegewezen

3.4.

De voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een te voeren bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.

3.5.

Als onweersproken staat vast dat [werkgever] niet (tijdig en volledig) tot betaling van het loon (zoals genoemd onder punt 1. van r.o. 2.1. van dit vonnis en het loon over de maand augustus 2026) is overgegaan, alsmede dat ten gevolge daarvan daarover berekend de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente verschuldigd zijn.

3.6.

De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.

3.7.

De vordering tot betaling van het loon over alle loontermijnen vanaf 1 augustus 2026 groot € 2.525,94 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, tot het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst is toewijsbaar, omdat in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk is dat [werkgever] niet tot tijdige en volledige betaling zal overgaan. Dat ligt anders voor de daarover gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente, omdat de verschuldigdheid en omvang daarvan nog onvoldoende vaststaat. Daarom is de toewijzing van deze kosten in kort geding, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure, niet gerechtvaardigd.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.8.

[werknemer] vordert tevens vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering sluit aan bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) genoemde tarief en zal worden toegewezen.

Proceskosten

3.9.

[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

Totaal

€

814,00

3.10.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het restant van de (netto) reiskostenvergoeding over de periode januari tot en met april 2026, groot € 378,52,

4.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de brutoloon- en vakantietoeslagtermijnen, bestaande uit € 2.241,93 over de loontermijnen van januari tot en met april 2026, € 1.262,97 over het loon over de maand mei 2026, € 833,56 over het loon over de maand juni en € 505,20 over de vakantietoeslag, derhalve in totaal groot € 4.843,66;

4.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de hiervoor onder 4.2. genoemde wettelijke verhoging en de daaraan ten grondslag liggende brutoloon- en vakantietoeslagtermijnen, telkens vanaf de dag van verschuldigdheid van de desbetreffende termijn tot de dag van algehele voldoening;

4.4.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het loon over alle loontermijnen vanaf 1 augustus 2026, ten bedrage van € 2.525,94 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag, tot de dag waarop [werkgever] volledig aan haar loonbetalingsverplichting jegens [werknemer] zal hebben voldaan, dan wel tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig eindigt,

4.5.

veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van € 636,11 aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.6.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.7.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken door Piëtte op 21 september 2026.