Arbeidsrecht
Vonnis in kort geding. Afwijzing eis tot schorsing concurrentiebeding.
Rechtbank Rotterdam, 18 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14155 · Rechtbank Rotterdam · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/arbeidsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-14155
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12361408 VV EXPL 26-522
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14155
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vonnis in kort geding. Afwijzing eis tot schorsing concurrentiebeding.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12361408 VV EXPL 26-522
datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. D.S. Kesarsing,
tegen
[gedaagde ] ,
vestigingsplaats: Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. de Vos.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde ]’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 31 augustus 2026, met bijlagen 1 tot en met 18;
-
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 27;
-
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser].
Op 4 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser], met
[naam 1] (Algemeen Directeur/Eigenaar), [naam 2] (Operational Directeur) en [naam 3] (HR Business Partner) voor [gedaagde ], en met de gemachtigden.
2 De beoordeling
Wat is de kern?
[gedaagde ] is actief in de uitzendbranche. Zij heeft diverse vestigingen in het westen, zuiden en midden van het land. [eiser] is op 1 januari 2023 bij [gedaagde ] in dienst getreden in de functie van Medior Intercedent. Hij is doorgegroeid naar de functie van Key Accountmanager. Voor de uitoefening van die functie hebben partijen op 30 april 2024 een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als addendum een relatiebeding. Ook zijn partijen op diezelfde datum een op schrift gesteld concurrentiebeding overeengekomen dat luidt als volgt:
“1. Het is de werknemer zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van 12 maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst verboden om zonder schriftelijke toestemming van de werkgever binnen een straal van 50 kilometer van de vestiging alwaar de werknemer zijn werkzaamheden (heeft) verricht direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor derden, al dan niet betaald, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of op enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van de werkgever of die van met de werkgever gelieerde ondernemingen.
2. In geval de werknemer in strijd handelt met het in lid 1 genoemde verbod, verbeurt de werknemer ten behoeve van de werkgever een direct - zonder verdere sommatie of ingebrekestelling - opeisbare boete van € 10.000 per overtreding alsmede € 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat werknemer in overtreding is, onverminderd het recht van de werkgever om volledige schadevergoeding van de werknemer te vorderen. Betaling van deze boete(s) ontslaat de werknemer - in afwijking van artikel 6:92 van het Burgerlijk Wetboek - niet van de verplichting tot nakoming van het bepaalde in lid 1.”
[eiser] heeft als Key Accountmanager gewerkt voor de vestigingen van [gedaagde ] in Heemskerk, Hoofddorp, Berkel en Rodenrijs, Barendrecht, en Waalwijk. Bij e-mailbericht van 8 mei 2026 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst met [gedaagde ] opgezegd per
31 juli 2026. Na te hebben vernomen dat [eiser] wil gaan werken voor [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]) heeft [gedaagde ] hem op 19 mei 2026 laten weten dat dit een directe concurrent betreft en dat hij gehouden wordt aan het overeengekomen concurrentiebeding. In vervolggesprekken hierover met [eiser] en in het contact met zijn gemachtigde, heeft [gedaagde ] haar standpunt gehandhaafd. Per 29 mei 2026 heeft [eiser] zich ziek gemeld. [eiser] ontvangt nu een ziektewetuitkering.
[eiser] eist - verkort weergegeven - het concurrentiebeding (gedeeltelijk) te schorsen (onder voorwaarde) of te beperken in duur of de boete te beperken. [gedaagde ] is het hiermee niet eens. De kantonrechter wijst de eisen af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordelingskader in kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde ] als de uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
[eiser] stelt dat het concurrentiebeding hem beperkt om in zijn commerciële vakgebied in de uitzendbranche werkzaam te zijn, zodra zijn belastbaarheid dat toelaat, en dat hem dit raakt in zijn mogelijkheid om inkomen te verwerven. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Afwijzing eisen
De eisen worden afgewezen, het is namelijk onvoldoende aannemelijk dat de uitkomst in een gewone procedure anders zal zijn. Dit geldt zowel voor de primaire eis tot schorsing van het concurrentiebeding als voor de subsidiaire eis tot gedeeltelijke schorsing ervan onder voorwaarde dat [eiser] geen zakelijke contacten zal onderhouden met een door [gedaagde ] te verstrekken lijst van relaties. Dit geldt ook voor de meer subsidiaire eis om het concurrentiebeding voorlopig te beperken tot maximaal drie maanden na het einde van het dienstverband. Evenmin wordt overgegaan tot schorsing van het boetebeding of beperking van het boetebedrag.
Het onder 2.1 vermelde concurrentiebeding is geldig overeengekomen. Het is schriftelijk aangegaan met een meerderjarige werknemer bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op grond van die overeenkomst is [eiser] de functie van Key Accountmanager gaan vervullen. [gedaagde ] heeft onderbouwd aangevoerd dat [eiser] in de uitoefening van deze commerciële functie kennis gekregen heeft van concurrentiegevoelige informatie, zoals het klantenbestand, contactpersonen, marges en tariefstellingen. Gelet hierop wordt voorshands geoordeeld dat [gedaagde ] zwaarwegend belang heeft bij het beding om zo haar bedrijfsdebiet te beschermen. Het beding lijkt noodzakelijk. Dat geldt ook voor de boete die verschuldigd wordt bij overtreding van het beding. Die boete is niet excessief hoog. De boete is nodig en effectief gebleken omdat deze [eiser] er tot nu toe van weerhouden heeft om bij [naam bedrijf] te gaan werken. Voldoende is komen vast te staan dat [naam bedrijf] een directe concurrent is van [gedaagde ], dat de bedrijven zich richten op klanten in dezelfde branches/sectoren, en dat de regio’s waarin zij actief zijn elkaar overlappen. Deze regio’s vallen binnen de straal van 50 kilometer, zoals vermeld in het concurrentiebeding. Uiteraard beperkt het beding [eiser] in zijn mogelijkheden om na het einde van zijn arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, maar hij heeft daarmee ingestemd bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Geen sprake is van een situatie waarin [eiser] in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van [gedaagde ] werkzaam te zijn. Er is dan ook geen reden om te bepalen dat [gedaagde ] voor de duur van de beperking een vergoeding moet betalen aan [eiser]. In dit verband is van belang dat het beding geografisch beperkt is, zodat [eiser] buiten de straal van 50 kilometer hetzelfde werk kan verrichten als hij bij [gedaagde ] deed. Verder is van belang dat [eiser] pas in 2023 op 43 jarige leeftijd is gaan werken in de uitzendbranche en voor die tijd diverse andere banen heeft gehad, zodat hij niet een eenzijdige binding heeft met de branche en met het soort werk dat hij bij [gedaagde ] uitgevoerd heeft. Daarbij is mede van betekenis dat [eiser] er zelf voor gekozen heeft zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde ] op te zeggen. [gedaagde ] had [eiser] overigens kort daarvoor nog een loonsverhoging van € 700,- bruto en het gebruik van een Audi A3 aangeboden en niet is gesteld of gebleken dat de functie bij [naam bedrijf] een aanzienlijke positieverbetering zal opleveren voor [eiser]. Het gestelde dat sprake is van ongelijke behandeling van [eiser] ten opzichte van andere oud werknemers van [gedaagde ] wat betreft de handhaving van postcontractuele bedingen, heeft [gedaagde ] gemotiveerd weersproken, zodat dit niet vast staat, laat staan dat geoordeeld zou kunnen worden dat sprake is van een ongeoorloofd willekeurig onderscheid wat betreft behandeling.
Duidelijk is dat het belang van [eiser] bij toewijzing van de eis minder zwaar weegt dan het belang van [gedaagde ] bij afwijzing ervan. Doordat [eiser] arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte kan hij op dit moment niet werken. Zodra dat wel mogelijk is kan [eiser] op allerlei plekken aan de slag. Echter, als hij niet belemmerd zou worden door het concurrentiebeding is de verwachting reëel dat hij in dienst treedt bij [naam bedrijf]. De mogelijkheid is dan reëel aanwezig dat [gedaagde ] op een oneerlijke manier te kampen zal krijgen met concurrentie en klanten verliest aan [naam bedrijf] doordat laatstgenoemde een concurrentievoordeel krijgt als gevolg van de kennis die [eiser] bij [gedaagde ] heeft opgedaan van bedrijfsvertrouwelijke informatie en die gebruikt bij zijn nieuwe werkgever. [gedaagde ] zal hierdoor schade lijden die moeilijk ongedaan kan worden gemaakt, zelfs als de uitspraak waarmee de ruimte zou worden gecreëerd later wordt teruggedraaid.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde ] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de eisen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde ] worden begroot op € 1.009,-;
verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken.
465