Burgerlijk procesrecht

Civiel recht. Vonnis in incident. De vordering van eisende partij betreft een onderwerp dat op grond van…

Rechtbank Limburg, 14 januari 2026

Zaakgegevens

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
14 januari 2026
Datum publicatie
6 januari 2026
Zaaknummer
C/03/347257 / HA ZA 25-494
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. R.P.F Rober, mr. N. Soro
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:49
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Civiel recht. Vonnis in incident. De vordering van eisende partij betreft een onderwerp dat op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. De kamer voor andere zaken dan kantonzaken verwijst de zaak naar de kantonrechter na partijen daarover gehoord te hebben.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/347257 / HA ZA 25-494

Vonnis van 14 januari 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats ] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. R.P.F. Rober,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats ] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. N. Soro.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de rolbeslissing van 17 december 2025,

- de akte uitlaten bevoegdheid met producties 1 t/m 5 aan de zijde van [eiseres] ,

- de akte uitlaten bevoegdheid aan de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

In de rolbeslissing van 17 december 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van [eiseres] naar haar voorlopig oordeel een onderwerp betreft dat op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering.

2.2.

Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank.

2.3.

De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat [eiseres] haar vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 11 februari 2026 om 10:00 uur voor conclusie van antwoord,

3.2.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.3.

wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.