Burgerlijk procesrecht
Ontruiming na ontbinden koopovereenkomst
Rechtbank Limburg, 8 november 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:9625 · Rechtbank Limburg · 8 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/kort-geding/ecli-nl-rblim-2016-9625
Zaakgegevens
Op 8 november 2016 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 8 november 2016
- Datum publicatie
- 8 november 2016
- Zaaknummer
- C/03/226624 / KG ZA 16-505
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2016:9625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontruiming na ontbinden koopovereenkomst
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/226624 / KG ZA 16-505
Vonnis in kort geding van 31 oktober 2016
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. M.C.G. Nijssen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagden,
advocaat mr. L.H. Dierx.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 10 oktober 2016, met producties,
-
de mondelinge behandeling van 24 oktober 2016, met de pleitnota van [eiser] en de pleitnota van [gedaagden] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] is krachtens akte van toedeling, eigenaar geworden van de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] , nadat zijn echtgenote, de erflater, op 6 maart 2014 is overleden.
De (voormalige) vruchtgebruikster, de tweede echtgenote van de vader van de echtgenote van [eiser] , die op 27 oktober 2014 is overleden, heeft een deel van de woning (nr. [X] ) verhuurd; eerst aan [gedaagden] en later aan International Car Im-Export B.V. (hierna: de BV). De BV huurde ten behoeve van [gedaagden] , zijn echtgenote en minderjarige zoon. [gedaagden] en de zijnen bewonen de woning te [woonplaats 2] nog altijd.
De BV is gefailleerd op 16 september 2014 en de curator heeft de huurovereenkomst opgezegd per 1 mei 2015.
[eiser] en [gedaagden] zijn overeengekomen dat [gedaagden] de gehele woning (nrs. [Y] en [X] ) met alle annexen en grond koopt. De koopakte is op 7 augustus 2015 ondertekend. De feitelijke levering heeft op 1 mei 2015 plaatsgevonden. De juridische levering is in de koopakte voorzien voor 13 augustus 2016. Er is voorts afgesproken dat [gedaagden] met zijn gezin tot de leveringsdatum om-niet in de woning kan verblijven. Partijen hebben uitdrukkelijk het bestaan van een huurrelatie in de periode 1 mei 2015 tot 13 augustus 2016 uitgesloten. Er is geen boeteclausule opgenomen in de koopakte voor het geval de levering niet zou plaatsvinden en [gedaagden] het pand niet afneemt.
De woning is op 13 augustus 2016 niet afgenomen. [gedaagden] heeft de overeengekomen koopsom niet betaald. [eiser] heeft [gedaagden] gesommeerd alsnog af te nemen uiterlijk 25 augustus 2015. Dit is niet gedaan. De koopovereenkomst is daarop van de zijde van [eiser] ontbonden.
[eiser] heeft [gedaagden] gesommeerd de woning te verlaten per 1 oktober 2015. [gedaagden] en zijn gezin hebben hieraan geen gehoor gegeven.
[eiser] wenst de woning thans te verkopen, bij voorkeur aan een derde. [eiser] verwacht niet dat [gedaagden] de woning nog zal (kunnen) kopen. [eiser] wil dat [gedaagden] en zijn gezin de woning ontruimen, zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 12 weken, tenzij in die tijdspanne komt vast te staan dat [gedaagden] de koopsom kan financieren en zal kunnen afnemen en (al doende) een nieuwe koopovereenkomst tot stand kan komen.
3 Het geschil
[eiser] vordert – na ter zitting met instemming van de wederpartij de vordering op het punt van de ontruimingstermijn te hebben aangepast – zakelijk weergegeven
-
de ontruiming van de woning [adres] te [woonplaats 2] door [gedaagden] en zijn gezin binnen 12 weken na betekening van dit vonnis en oplevering in de staat waarin deze zich bevond op 1 mei 2015,
-
voor iedere week vanaf 1 oktober 2015 de contractuele boete (gedaagde sub1), althans een dwangsom ter hoogte van € 1.500,00 (beide gedaagden), te betalen tot de datum van ontruiming,
-
veroordeling van [gedaagden] in de (na)kosten van de procedure.
[eiser] legt, kort gezegd, aan de vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst door hem rechtsgeldig is ontbonden en dat sinds dat moment [gedaagden] zonder recht of titel de woning bewoont.
Hij stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevorderde maatregel te hebben.
[gedaagden] voert geen inhoudelijk verweer terzake de ontbinding van de koopovereenkomst en de daaraan te verbinden gevolgen.
Ter zitting is daarentegen wel gesteld dat [gedaagden] bereid is en in staat is alsnog de eerder overeengekomen koopsom te betalen en de woning aan de [adres] met annexen en grond te kopen. Tevens is gesteld dat 12 weken voldoende zouden moeten zijn om het allemaal te regelen en een nieuwe koopakte overeen te komen. [gedaagden] vindt dan ook dat er geen spoedeisend belang is. [gedaagden] geeft aan dat eiser bovendien geen schade heeft geleden, omdat [gedaagden] de inboedel wel al van eiser heeft overgenomen voor een bedrag dat de waarde daarvan te boven gaat.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.
Vast staat dat [gedaagden] sinds de ontbinding van de koopovereenkomst zonder recht of titel de woning bewoont. [eiser] wordt door de handelwijze van [gedaagden] belemmerd in het vrij beschikken over zijn eigendom. Dit handelen is onrechtmatig jegens [eiser] en leidt en/of zal leiden tot schade. Dat [gedaagden] een nevenovereenkomst inzake de overname van de antieke meubels wel is nagekomen, doet daar niet aan af.
Omdat [gedaagden] verder geen materieel verweer heeft gevoerd, ligt de vordering tot ontruiming zonder meer voor toewijzing gereed.
[gedaagden] heeft ook geen verweer gevoerd tegen de stelling van [eiser] dat de ontbonden koopovereenkomst nawerking heeft. De vordering dat vanaf 1 oktober 2015 tot aan de datum van ontruiming wekelijks de contractueel overeengekomen boete van € 1.500 euro verschuldigd is ex artikel 13 lid 2 koopovereenkomst, is niet betwist en kan daarom worden toegewezen. Beoordeling van de subsidiair gevorderde dwangsom is niet meer aan de orde.
[gedaagden] zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] . Deze worden begroot op:
-
exploot van dagvaarding € 98,02
-
griffierecht € 288,00
-
salaris advocaat € 816,00
totaal € 1.202,02.
De rente en nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt gedaagden om binnen 12 weken na betekening van dit vonnis eiser in het vrije bezit te stellen van de onroerende zaak gelegen te [woonplaats 2] , kadastraal bekend gemeente Wittem, sectie [kadasternummer] aan de [adres] te [woonplaats 2] , door de onroerende zaak geheel ontruimd aan eiser op te leveren en in de staat waarin gedaagde sub 1 het verkochte bij feitelijke levering op 1 mei 2015 heeft aanvaard,
veroordeelt gedaagde sub 1 met ingang van 1 oktober 2015 aan eiser de contractueel overeengekomen schadevergoeding te betalen van € 1.500,- per week voor elke week dat gedaagde sub 1 vanaf 1 oktober 2015 tot en met de datum van algehele ontruiming in gebreke is met het aan eiser in het vrij bezit te stellen van de onroerende zaak gelegen te [woonplaats 2] , kadastraal bekend gemeente Wittem, sectie [kadasternummer] aan de [adres] te [woonplaats 2] , door de onroerende zaak geheel ontruimd aan eiser op te leveren en in de staat waarin gedaagde sub 1 het verkochte bij feitelijke levering op 1 mei 2015 heeft aanvaard,
veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding aan de zijde van eiser begroot op € 1.202,02, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis, indien niet betaald wordt, tot aan de dag der algehele betaling, en vermeerderd met de nakosten ad € 131,-, indien wel aanschrijving maar geen betekening van dit vonnis plaatsvindt, en met €199,-, indien wel betekening plaatsvindt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.