Burgerlijk procesrecht

Executiegeschil tijdens hoger beroep. Vonnis is zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard…

Rechtbank Limburg, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
C/03/355158 / KG ZA 26-325
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. S.J.C. Vaessen, mr. E.J.A. Cuijten
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10581
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executiegeschil tijdens hoger beroep. Vonnis is zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De advocaat van de vrouw heeft artikel 21 Rv geschonden door informatie over andere inkomsten achter te houden. De gevorderde schorsing van de executie en opheffing van het beslag wordt afgewezen. In reconventie wordt een dwangsom verbonden aan de in het bodemvonnis uitgesproken verdeling

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/355158 / KG ZA 26-325

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

te [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.J.C. Vaessen,

tegen

[de man] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.J.A. Cuijten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de producties van de vrouw
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de eis in reconventie
- de pleitnota van de vrouw.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 10 december 2025 (hersteld bij vonnissen van 21 januari en 25 mei 2026) heeft de rechtbank in de procedure tussen partijen met zaaknummer 341740 HA ZA 25-211 (verder te noemen “de procedure in eerste aanleg”) als volgt beslist:

“ In conventie en reconventie

6.1.

stelt de wijze van verdeling van de woning staande en gelegen aan [adres] vast als volgt en bepaalt:

- dat partijen binnen één maand na heden gezamenlijk een makelaar opdracht dienen te geven tot de verkoop van de woning tegen de naar plaatselijke maatstaven hoogst haalbare verkoopprijs,

- indien partijen niet binnen één maand gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop, [de man] bevoegd is, mede namens [de vrouw], tot het verstrekken van een opdracht aan een makelaar naar zijn keuze,

- indien partijen daarover geen overeenstemming bereiken, de vraag- en laatprijs wordt gesteld op een door de makelaar te bepalen bedrag,

- dat [de vrouw] de instructies van de makelaar op moet volgen en op eerste verzoek van de makelaar alle feitelijke handelingen verrichten die de makelaar nodig of nuttig acht om tot verkoop van de woning te komen, zoals, maar niet beperkt tot, het meewerken aan een bezichtiging door de makelaar, het laten maken van foto's, het beschikbaar houden van de

woning voor bezichtigingen door potentiële kopers en ervoor zorgen dat de woning in behoorlijke staat en opgeruimd is ten tijde van het maken van die foto’s en de bezichtigingen,

- iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen,

- de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning,

- de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen,

6.2.

veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] voor het gebruik van de woning te betalen een bedrag van € 541,67 per maand, te rekenen vanaf 25 september 2024 tot aan het moment dat de woning notarieel is geleverd aan een derde dan wel totdat [de vrouw] de woning heeft ontruimd,

6.3.

veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] een bedrag van € 32.000,00 te voldoen binnen 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis.

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

6.5.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.2.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.3.

Bij exploot van 22 juli 2026 is het vonnis van 10 december 2025 aan de vrouw betekend en aan haar bevel gedaan om binnen twee dagen over te gaan tot betaling van een bedrag van € 43.541,57. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 32.000,--, de reeds verschuldigde gebruikskostenvergoeding en de kosten van betekening.

2.4.

Omdat betaling door de vrouw uitbleef heeft de man op 31 juli 2026 ten laste van de vrouw onder de Sociale Verzekeringsbank (SVB) executoriaal derdenbeslag lagen leggen op de AOW uitkering van de vrouw.

2.5.

Verder heeft de man een makelaar ingeschakeld om tot verkoop van de woning te komen.

3 Het geschil

in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van

10 december 2025 totdat het gerechtshof arrest heeft gewezen in hoger beroep. Daarnaast vordert de vrouw opheffing van het onder de SVB gelegde beslag op haar AOW-uitkering en de man te verbieden verdere executiemaatregelen te nemen. Dit alles onder verbeurte van een dwangsom voor iedere overtreding en voortduren van de overtreding.

3.2.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. In reconventie vordert de man veroordeling van de vrouw tot nakoming van het vonnis van 10 december 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat de vrouw nalaat aan de veroordeling te voldoen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Dit kort geding ziet op een executiegeschil dat naar zijn aard een procedure is met een spoedeisend karakter. Daarmee is de vereiste spoedeisendheid gegeven.

Het kader

4.2.

Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de (uitvoerbaar bij voorraad) ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen.

4.3.

Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.

De belangenafweging

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de hiervoor geschetste belangenafweging in het voordeel van de man uitvalt. Dit betekent dat geen grond bestaat voor het treffen van de door de vrouw gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis. De vrouw dient dus vooruitlopend op de uitkomst van het hoger beroep uitvoering te geven aan het vonnis van 10 december 2025. De in reconventie door de man gevorderde nakoming van het vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom acht de voorzieningenrechter daarom wel toewijsbaar.

Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen waarbij een onderverdeling wordt gemaakt naar de betaling van een geldsom en de medewerking aan de verkoop van de woning.

Betaling van een geldsom

4.5.

De vrouw heeft gesteld dat zij door het beslag op haar AOW-uitkering onder de SVB nog maar een gering bedrag heeft om van te leven waardoor een reëel risico bestaat dat zij niet langer aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.

4.6.

De man heeft de door de vrouw gestelde financiële nood bestreden en er op gewezen dat de vrouw naast de AOW-uitkering nog andere pensioeninkomsten heeft.

4.7.

Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw toegegeven dat de vrouw inderdaad nog andere pensioeninkomsten heeft en dat zij dit niet heeft vermeld in de dagvaarding. De advocaat van de vrouw heeft geen blijk gegeven dat zij bij aanvang van deze procedure niet op de hoogte was van die andere inkomsten van de vrouw. Zij heeft evenmin een verklaring gegeven voor het niet vermelden van deze informatie in de dagvaarding. Het moet er dus voor worden gehouden dat zij die informatie bewust heeft achtergehouden.

De voorzieningenrechter acht dit zeer kwalijk en laakbaar, temeer omdat uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling van de procedure in eerste aanleg volgt dat de advocaat van de vrouw zich in de conclusie antwoord heeft beroepen op jurisprudentie die niet bestaat en/of betrekking had op totaal andere juridische kwesties terwijl zij daarover desgevraagd door de rechtbank heeft verklaard al die jurisprudentie te hebben opgezocht en te hebben gelezen.

4.8.

Het voorgaande betekent dat de advocaat van de vrouw de verplichting heeft geschonden om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zij heeft daarmee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit betekent dat de voorzieningenrechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.

4.9.

De vrouw heeft alleen erkend dat niet alle informatie over haar inkomsten in de dagvaarding heeft opgenomen. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verdere (verifieerbare) gegevens over deze inkomsten (herkomst en hoogte) verstrekt. Dit terwijl deze informatie van groot belang is bij de weging van het door de vrouw gestelde risico op financiële nood aan haar zijde. De voorzieningenrechter zal hieruit de gevolgtrekking maken dat de door haar gestelde financiële nood bij voortzetting van het beslag niet aannemelijk is. De voorzieningenrechter gaat dan ook voorbij aan het door de vrouw gestelde zwaarwegend belang bij opheffing van het beslag op haar AOW-uitkering.

4.10.

Bij dit alles weegt de voorzieningenrechter mee dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft toegegeven dat zij nog beschikt over het deel van het spaargeld van de man dat zij moet terugbetalen en dus ook in de gelegenheid is om dat te doen, maar dat zij dit bedrag naar eigen zeggen “heeft veilig gesteld”, zodat ook om die reden geen grond aanwezig is om financiële nood bij de vrouw aan te nemen.

Meewerken aan de verkoop van de woning

4.11.

Bij het vonnis van 10 december 2025 is de wijze van verdeling van de woning vastgesteld. Dit houdt in dat partijen de woning verkopen en de opbrengst delen.

4.12.

De vrouw werkt niet mee aan de verkoop van de woning. Zij woont nu in de woning en voert als belang aan dat zij bij verkoop woonruimte verliest en dat bij verkoop een onomkeerbare situatie ontstaat omdat zij de woning dan niet meer kan overnemen.

4.13.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangen niet zwaarder wegen dan het belang van de man bij uitvoering van de verdeling. De man hoeft niet in een onverdeelde gemeenschap te blijven en wacht al ruim twee jaar op verdeling van de woning. De voorzieningenrechter volgt de man in zijn standpunt dat overname van de woning door de vrouw niet in de rede ligt omdat zij daar in al die tijd niet in is geslaagd. Daar komt bij dat het momenteel nog een redelijk gunstige markt is om de woning te verkopen maar dat die situatie lijkt te gaat verslechteren.

4.14.

Het voorgaande betekent dat de belangen van de vrouw bij het schorsen van de tenuitvoerlegging niet opwegen tegen de belangen van de man bij het in gang zetten van de verkoop van de woning. Omdat de vrouw blijk heeft gegeven geen medewerking te gaan verlenen aan de verdeling zoals vastgesteld onder 6.1 in het vonnis van 10 december 2025, acht de voorzieningenrechter het gerechtvaardigd dat aan de uitvoering van deze verdeling een dwangsom wordt verbonden zoals door de man gevorderd.

Proceskosten in conventie

4.15.

Het is gebruikelijk om tussen ex-partners de proceskosten te compenseren. Gelet echter op het feit dat de advocaat van de vrouw artikel 21 Rv heeft geschonden, zal de vrouw, nu zij in het ongelijk is gesteld, veroordeeld worden in de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de man worden begroot op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.666,00

Proceskosten in reconventie

4.16.

Het is gebruikelijk om tussen ex-partners de proceskosten te compenseren. Gelet echter op het feit dat de advocaat van de vrouw artikel 21 Rv heeft geschonden, zal de De vrouw, nu zij in het ongelijk is gesteld, veroordeeld worden in de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de man worden begroot op:

- salaris advocaat

€

380,00

(factor 0,5 × 760,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

528,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af,

5.2.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 1.666,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

5.3.

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de in het vonnis van 10 december 2025 vastgestelde verdeling;

5.4.

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 528,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

5.7.

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Zie arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026,