Burgerlijk procesrecht
Civiel recht. Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding.
Rechtbank Limburg, 29 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10117 · Rechtbank Limburg · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/kort-geding/ecli-nl-rblim-2026-10117
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- C/03/354704 / KG ZA 26-307
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.E.M.P.J. Reijnart en mr. M.M.M. Rooijen, mr. H.C. Lejeune en mr. L.G.L. Hartman-Ohnesorge
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:10117
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Civiel recht. Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/354704 / KG ZA 26-307
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EYE WATCH SECURITY GROUP B.V.,
te Venray,
eiseres,
hierna te noemen: EWSG,
advocaat: mr. D.E.M.P.J. Reijnart en mr. M.M.M. Rooijen,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE MAASTRICHT,
te Maastricht,
gedaagde,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. H.C. Lejeune en mr. L.G.L. Hartman-Ohnesorge.
1 De procedure
EWSG heeft de Gemeente op 12 augustus 2026 doen dagvaarden om op 26 augustus 2026 om 13.00 uur te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Op vrijdag 21 augustus 2026 heeft de Gemeente op voorhand een conclusie van antwoord met producties toegestuurd.
Bij brief van maandag 24 augustus 2026 heeft EWSG aan de rechtbank en de advocaten van de Gemeente bericht dat het kort geding werd ingetrokken.
De Gemeente heeft bij brief van 7 september 2026 aan de rechtbank een verzoek gedaan tot veroordeling van EWSG in de proceskosten. EWSG hebben bij brief van 11 september 2026 bezwaar gemaakt tegen de verzochte proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter acht het niet nodig om het geschil over de proceskosten ter zitting te behandelen. Daarnaast heeft geen van partijen om een mondelinge behandeling gevraagd. Vonnis is bepaald op vandaag.
2 De beoordeling
Bij arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) heeft de Hoge Raad overwogen dat indien de eiser het kort geding intrekt de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden, omdat hij een beslissing over de proceskosten verlangt. De termijn waarbinnen deze mededeling dient te worden gedaan, bedraagt veertien dagen na datum waartegen hij was opgeroepen.
In deze zaak is de mededeling van de Gemeente dat zij een beslissing over de proceskosten verlangt binnen de gestelde termijn van veertien dagen gedaan.
Omdat door de voorzieningenrechter op een geschil over de proceskosten wordt beslist, zijn partijen op grond van artikel 3 lid 1 WGBZ (alsnog) griffierecht verschuldigd.
Met betrekking tot de vraag of de kosten die door de Gemeente zijn gemaakt voor rekening van EWSG moeten komen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De vordering van EWSG in dit kort geding had betrekking op een opdracht voor het leveren van beveiligingsdiensten die zij na een aanbestedingsprocedure van de Gemeente op 15 januari 2026 definitief gegund had gekregen. De Gemeente heeft deze overeenkomst op 22 juli 2026 per direct ontbonden en vervolgens gecontracteerd met een derde. EWSG vorderde in dit kort geding, kort gezegd, dat de Gemeente de overeenkomst onverkort zou nakomen, EWSG zou toelaten de beveiliging van de desbetreffende locatie en de uitvoering van de (opvolgende) overeenkomst met de derde partij zou staken. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord, onder verwijzing naar door haar overgelegde producties, aangevoerd dat zij EWSG er al geruime tijd op had aangesproken dat zij haar verplichtingen uit de beveiligingsovereenkomst niet nakwam. Het besluit tot ontbinding is niet lichtvaardig genomen; vanaf het begin waren er tekortkomingen en heeft de Gemeente geprobeerd om EWSG bij te sturen. Er zijn klachten besproken, welke erkend werden door EWSG, verbeterpunten vastgelegd, implementatieplannen opgesteld en hersteltermijnen overeengekomen. Desondanks bleef EWSG structureel tekortschieten, aldus de Gemeente bij conclusie van antwoord. Deze conclusie van antwoord is ingediend op vrijdag 21 augustus 2026; op de daaropvolgende maandag (24 augustus 2026) heeft EWSG het kort geding ingetrokken. EWSG betwist niet dat de aanleiding voor het intrekken van het kort geding was gelegen in die conclusie van antwoord. Gelet daarop moet EWSG worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. De stelling van EWSG dat zij gezien de opstelling van de Gemeente, zoals die bleek uit de conclusie van antwoord, geen vertrouwen meer had in voortzetting van de overeenkomst en dat zij daarom het kort geding heeft ingetrokken, maakt dit niet anders. Dit is een omstandigheid die voor rekening van EWSG komt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de opstelling van de Gemeente pas voor het eerst duidelijk werd door de conclusie van antwoord, omdat de Gemeente eerder niet inhoudelijk zou hebben gereageerd. Het is aan EWSG om dergelijke omstandigheden – inclusief de mogelijkheid van een tegenvallende inhoudelijke reactie – mee te wegen bij haar beslissing om al dan niet een kort geding aan te spannen.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt EWSG in de proceskosten van de Gemeente veroordeeld. De Gemeente begroot haar proceskosten op € 1.766,- aan salaris advocaat, op grond van het liquidatietarief Handel kort geding voor complexe zaken. EWSG heeft verweer gevoerd tegen de omvang van de gevorderde proceskosten en doet een beroep op matiging.
Gelet op de aard van de procedure en de inhoud en omvang door de Gemeente ingediende conclusie van antwoord met producties ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voor de begroting van de hoogte van het salaris van de advocaat van de Gemeente aan te sluiten bij het liquidatietarief voor een zaak van complexe aard. Voor een dergelijke procedure wordt het salaris van een advocaat vastgesteld op € 1.766,00. De voorzieningenrechter zal het salaris in dit geval vaststellen op de helft van dit tarief (€ 883,00) aangezien het tarief is gebaseerd op het voltooien van de procedure, terwijl in dit geval geen zitting heeft plaatsgevonden.
EWSG zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten). De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
883,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.807,00 |
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt EWSG in de proceskosten van € 1.807,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als EWSG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.