Burgerlijk procesrecht

Partijen zijn ter zitting tot afpsraken gekomen over de spullen van de vrouw en haar dochters in de…

Rechtbank Noord-Holland, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/382114
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. M.B. Chylinska, mr. I.S. Kuijken
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:13777
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Partijen zijn ter zitting tot afpsraken gekomen over de spullen van de vrouw en haar dochters in de echtelijke woning van partijen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de vrouw haar vorderingen door de gemaakte afspraken heeft ingetrokken. De man vordert alleen nog dat de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat de zaak niet tot een zitting had moeten komen. De rechtbank compenseert, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen, omdat beide partijen een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van deze kortgedingprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/382114 / KG ZA 26-532

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.B. Chylinska,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.S. Kuijken.

De zaak in het kort

Partijen hebben ter zitting afspraken gemaakt over de persoonlijke spullen van de vrouw en de dochters van partijen in de echtelijke woning van partijen. De man wenst enkel nog een vonnis over de proceskosten. Hij is van mening dat deze kortgedingprocedure niet noodzakelijk was omdat hij altijd open stond voor afspraken over de spullen van de vrouw en hun dochters. Daarom wil hij dat de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld. De vrouw betwist dit en wijst erop dat de man niet inhoudelijk heeft gereageerd op de sommatie van haar advocaat van 12 mei 2026.

De voorzieningenrechter wijkt niet af van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen (ex-)partners gecompenseerd worden, omdat niet gezegd kan worden dat de proceskosten van de man nodeloos zijn aangewend of door het handelen van de vrouw zijn veroorzaakt. Beide partijen hebben namelijk een rol gespeeld in de totstandkoming van deze kortgedingprocedure.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13
- de mondelinge behandeling van 5 oktober 2026, waarbij de advocaat van de vrouw zittingsaantekeningen heeft overgelegd, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt en waarbij partijen tot afspraken zijn gekomen.

1.2.

Ter zitting hebben partijen na een korte schorsing laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt over de persoonlijke spullen van de vrouw en dochters van partijen, [dochter 1] en [dochter 2], die zich nog in de gezamenlijke woning van partijen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) bevinden.

1.3.

De man heeft de voorzieningenrechter met betrekking tot de proceskosten om een vonnis verzocht.

1.4.

Ten slotte is een datum voor vonnis in het kort geding bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 23 april 1996 met elkaar gehuwd.

2.2.

De vrouw heeft op 4 november 2025 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Amsterdam ingediend.

2.3.

De man heeft op enig moment in 2026 aan [dochter 1] het volgende, voor zover relevant, appbericht gestuurd:

“Jullie kunnen altijd je spullen ophalen ik heb jullie nooit de toegang ontzegt”

2.4.

De advocaat van de vrouw heeft op 12 mei 2026 per e-mail (de advocaat van) de man verzocht en zo nodig gesommeerd om de vrouw per ommegaande weer toegang tot de woning te verschaffen, zich te onthouden van verdere onrechtmatige handelingen en misleidende uitlatingen en medewerking te verlenen aan het ophalen van de persoonlijke eigendommen van de vrouw op korte termijn. Bij gebreke van een passende reactie heeft (de advocaat van) de vrouw zich het recht voorbehouden om nadere juridische stappen te ondernemen. De man heeft niet schriftelijk op de e-mail gereageerd.

2.5.

Op 14 juli 2026 heeft (de advocaat van) de vrouw per e-mail om de verhinderdata van (de advocaat van) de man gevraagd. Op dezelfde dag heeft een kantoorgenote van de advocaat van de man gereageerd op de e-mail en gevraagd wat het petitum in kort geding van de vrouw zou inhouden. Later nog dezelfde dag heeft de kantoorgenote de verhinderdata van de man doorgegeven aan (de advocaat van) de vrouw. De vrouw heeft niet op de vraag gereageerd.

2.6.

Op 3 september 2026 heeft (de advocaat van) de vrouw om nieuwe verhinderdata van (de advocaat van) de man gevraagd.

2.7.

De advocaat van de man heeft op 7 september 2026 in reactie op de nieuwe uitvraag van verhinderdata per e-mail gevraagd naar de spoedeisendheid van de gevraagde verhinderdata. Zij heeft daarnaast haar verhinderdata wederom gegeven. De vrouw heeft ook deze keer niet op de vraag gereageerd.

3 De beoordeling

3.1.

De vrouw heeft vorderingen ingesteld die er -zakelijk weergegeven- toe strekken dat zij de beschikking krijgt over een sleutel van de echtelijke woning en diverse spullen van de vrouw en de dochters van partijen die zich nog in de echtelijke woning bevinden.

3.2.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling de volgende afspraken gemaakt:

Binnen twee weken vanaf de datum van de mondelinge behandeling zal de man de volgende spullen:

  • de boeken van de vrouw in de boekenkast;

  • de ingepakte merktassen die zich volgens de vrouw bovenin de gezamenlijke kledingkast van partijen bevinden;

  • de kleding van de vrouw en de dochters die zich nog in de kledingkasten, op zolder, of elders in de woning bevindt;

  • de make-up spullen van [dochter 1] en eventueel andere spullen van haar die zich nog in haar kamer of elders in de woning bevinden;

  • de schoolspullen van [dochter 2] en eventueel andere spullen van haar die zich nog in haar kamer of elders in de woning bevinden;

  • de keukenspullen in de schuur;

  • de schoenen in de schoenkast in de gang beneden, op zolder en onder het kledingrek van [dochter 1];

ingepakt in dozen onder het afdakje van de woning neerzetten. Ook zal de man de fietsen van de vrouw en de dochters onder het afdakje plaatsen.

De man geeft binnen dezelfde termijn aan de vrouw het tijdstip door waarop zij de dozen en de fietsen kan komen ophalen. De vrouw zal op dat tijdstip alle dozen en de fietsen meenemen en zal thuis een inventarisatie van de door haar opgehaalde spullen maken.
Als zij na de inventarisatie nog concrete spullen mist, zal zij de man zo spoedig mogelijk verzoeken deze spullen alsnog aan haar af te geven, aan welk verzoek de man zijn medewerking zal verlenen.

3.3.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat met deze afspraken de vrouw haar vorderingen heeft ingetrokken. Partijen hebben tijdens de zitting bevestigd dat de voorzieningenrechter alleen nog hoeft te beslissen op de vordering van de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen.

3.4.

De man legt aan die vordering ten grondslag dat deze zaak niet tot een zitting had moeten komen. De man stond immers altijd open voor afspraken met de vrouw over haar persoonlijke spullen in de woning, zodat (spoedeisend) belang bij de vordering van de vrouw ontbrak. De man heeft ook tegen [dochter 1] gezegd dat de vrouw en de dochters altijd hun spullen mogen komen ophalen. Daarnaast hebben de vrouw en de dochters volgens de man al hun belangrijke spullen uit de woning al meegenomen. Hij is echter nog steeds bereid zijn medewerking te verlenen aan het ophalen van hun overgebleven spullen die zich nog in de woning bevinden. Ook heeft de vrouw niet inhoudelijk gereageerd op de vragen van de man op 14 juli en 7 september 2026, aldus de man.

3.5.

De vrouw verzoekt om compensatie van de proceskosten, omdat de man pas ter zitting heeft erkend dat er nog spullen van de vrouw en de dochters in de woning aanwezig waren, terwijl hij eerst stelde dat dit niet het geval was. Daarnaast heeft de man niet inhoudelijk gereageerd op de sommatie van de vrouw van 12 mei 2026.

3.6.

In zaken tussen ex-partners wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten. De rechter kan echter wegens misbruik van procesrecht de kosten die nodeloos worden aangewend of veroorzaakt voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.

3.7.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd, omdat zij van oordeel is dat de proceskosten van de man niet nodeloos zijn aangewend of (uitsluitend) door het handelen van de vrouw zijn veroorzaakt. Het feit dat de man tegen [dochter 1] in een appbericht heeft gezegd dat zij, de vrouw en [dochter 2] altijd hun spullen uit de woning mogen komen ophalen, is onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw buiten een procedure om daadwerkelijk met de man tot afspraken over de spullen had kunnen komen, gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen. Verder heeft de man niet inhoudelijk gereageerd op de sommatie van de advocaat van de vrouw van 12 mei 2026. Door dit na te laten heeft de man zelf bijgedragen aan de totstandkoming van deze kortgedingprocedure. Dat de vrouw niet heeft gereageerd op de vragen van de advocaat van de man op 14 juli 2026 en 7 september 2026 naar aanleiding van de door de vrouw gevraagde verhinderdata van de man, doet daar onvoldoende aan af. De voorzieningenrechter zal dan ook, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.

1835

Artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).