Civiel recht overig
Toegewezen als gevorderd.
Rechtbank Limburg, 23 september 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:7226 · Rechtbank Limburg · 23 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rblim-2020-7226
Zaakgegevens
Op 23 september 2020 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 23 september 2020
- Datum publicatie
- 25 september 2020
- Zaaknummer
- 8514906 \ CV EXPL 20-2133
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2020:7226
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toegewezen als gevorderd.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8514906 \ CV EXPL 20-2133
Vonnis van de kantonrechter van 23 september 2020
in de zaak van:
de stichting
[eisende partij] h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde [naam gemachtigde 1] ,
tegen:
[gedaagde partij] ,
wonende [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde [naam gemachtigde 2] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van gedaagde partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Eisende partij is een private kredietverstrekker en helpt ondernemers met financiering, coaching en tools.
Gedaagde partij heeft, handelend in de uitoefening van een bedrijf of beroep (dus niet als consument) - op 14 september 2015 en op 10 januari 2016 een tweetal geldleningsovereenkomsten gesloten met eisende partij. Op grond van die overeenkomsten heeft eisende partij aan gedaagde partij in totaal € 25.000,00 geleend, welk bedrag gedaagde partij in vijf jaar diende terug te betalen in maandelijks termijnen van € 350,88, ingaande 25 april 2016.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
Op het moment van dagvaarden bedroeg het uit hoofde van de leningen terug te betalen bedrag nog € 24.679,81.
3 De vordering
Eisende partij voert aan dat zij op grond van de overeenkomsten een vordering op gedaagde partij heeft van € 33.467,36, welk bedrag als volgt is opgebouwd:
- € 24.679,81 hoofdsom
- € 1.021,80 vergoeding van buitengerechtelijke kosten
- € 214,58 btw over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten
- € 7.551,17 tot 30 april 2020 vervallen overeengekomen rente.
Om haar moverende redenen matigt eisende partij haar vordering tot € 25.000,00 (‘met behoud van het recht op het meerdere’), te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 10,75% per jaar vanaf 30 april 2020 tot aan de dag van voldoening.
Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord.
4 De beoordeling
Dat het nog openstaande bedrag van de leningen in zijn geheel direct opeisbaar is, volgt volgens eisende partij uit art. 9 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarbij zij overigens verzuimt uit te leggen waarom dat daaruit volgt. Blijkens dat artikel, meer specifiek art. 9.2., is eisende partij - kort gezegd - gerechtigd om het openstaande bedrag ineens op te eisen indien “jij je niet meer aan de afspraken houdt uit de Overeenkomst”.
Eisende partij laat tevens na uit te leggen op welke wijze precies gedaagde partij de overeenkomst niet is nagekomen, doch uit de overige onbetwist gelaten (en daarmee in deze procedure vaststaande) stellingen van eisende partij kan genoegzaam worden afgeleid dat gedaagde partij vanaf enig moment haar maandelijks terugbetalingsverplichting heeft verzuimd na te komen. Daarmee staat dan ook vast dat eisende partij gerechtigd is het nog openstaande deel van de lening ineens terug te vorderen. Nu eisende partij haar vordering beperkt tot € 25.000,00, zal dat bedrag als niet althans onvoldoende betwist worden toegewezen.
Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
-
dagvaarding € 105,09
-
griffierecht € 996,00
-
salaris gemachtigde € 480,00 (1 x tarief € 480,00)
totaal € 1.581,09
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente ad 10,75 % per jaar over € 24.679,81 vanaf 30 april 2020 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.581,09,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC