Civiel recht overig

Rechtbank Limburg · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig

Rechtbank Limburg, 4 november 2020

Zaakgegevens

Op 4 november 2020 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
4 november 2020
Datum publicatie
6 november 2020
Zaaknummer
8793250 \ CV EXPL 20-4770
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2020:8614
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toegewezen als gevorderd

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8793250 \ CV EXPL 20-4770

Vonnis van de kantonrechter van 4 november 2020

in de zaak van:

de stichting

STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde P.M.F. Otten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU INKOMENSBEHEER B.V.,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde],

gevestigd Hoofdstraat 81,

Hoensbroek, gemeente Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde F. Otten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

2.2.

De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet.

2.3.

Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).

2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.

2.5.

Uit het antwoord van gedaagde partij is de kantonrechter gebleken dat de vordering van eisende partij niet althans onvoldoende wordt betwist. De vordering dient daarom te worden toegewezen.

2.6.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • dagvaarding € 105,09

  • griffierecht € 996,00

  • salaris gemachtigde € 360,00 (1 x tarief € 360,00)

totaal € 1.461,09

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 14.412,98, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2020 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.461,09,

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: JEC