Civiel recht overig
Rechtbank Limburg · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Limburg, 2 december 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:9507 · Rechtbank Limburg · 2 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rblim-2020-9507
Zaakgegevens
Op 2 december 2020 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 2 december 2020
- Datum publicatie
- 3 december 2020
- Zaaknummer
- 8544005 \ CV EXPL 20-2404
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9507
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toegewezen als gevorderd
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8544005 \ CV EXPL 20-2404
Vonnis van de kantonrechter van 2 december 2020
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde Incassobureau Fiditon B.V.,
tegen:
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. R.H.L. van de Laar.
1 De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeschikking van 26 augustus 2020
- de akte uitlating
- de antwoordakte van gedaagde partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Bij rolbeschikking zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent het voorlopige oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de absolute bevoegdheid.
Nu eisende partij haar vordering heeft beperkt tot € 25.000,00 met voorbehoud van het recht op het meerdere is de kantonrechter bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
Uit het antwoord van gedaagde partij is de kantonrechter gebleken dat de vordering van eisende partij niet althans onvoldoende wordt betwist. De vordering dient daarom te worden toegewezen.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
-
dagvaarding € 110,67
-
griffierecht € 996,00
-
salaris gemachtigde € 480,00 (1 x tarief € 480,00)
totaal € 1.586,67
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2020 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.586,67,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC