Civiel recht overig
Bijzondere overeenkomst; opdracht; verrichten diensten/werkzaamheden
Rechtbank Limburg, 17 januari 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:253 · Rechtbank Limburg · 17 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rblim-2024-253
Zaakgegevens
Op 17 januari 2024 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 17 januari 2024
- Datum publicatie
- 22 januari 2024
- Zaaknummer
- 10669124 \ CV EXPL 23-3673
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2024:253
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bijzondere overeenkomst; opdracht; verrichten diensten/werkzaamheden
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10669124 \ CV EXPL 23-3673
Vonnis van 17 januari 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek met producties 10 en 11
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op of omstreeks 24 december 2021 heeft [gedaagde] [eiseres] opdracht gegeven om de uitvaart te verzorgen van haar (schoon)moeder [naam] , die op [overlijdensdatum] 2021 te [overlijdensplaats] is overleden.
[gedaagde] heeft de door [eiseres] daartoe opgestelde kostenbegroting van
24 december 2021 ten bedrage van € 4.554.30 (productie 2) ondertekend. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging
Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden, productie 4) van toepassing.
[eiseres] heeft de uitvaart verzorgd conform de opdracht.
Op 4 maart 2022 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een factuur van € 3.748,10 gestuurd (productie 3).
Op niet nader geduid moment zijn [eiseres] en [gedaagde] een betalingsregeling overeengekomen, die [gedaagde] niet is nagekomen.
[eiseres] heeft vervolgens meerdere e-mailberichten, aanmaningen, sommaties en een ingebrekestelling aan [gedaagde] gestuurd, waaronder de zogenaamde 14-dagenbrief van 16 maart 2023 (producties 5 en 6) en meerdere telefoongesprekken met [gedaagde] gevoerd.
[gedaagde] heeft ook daarna niet (tijdig) betaald, waardoor [eiseres] de vordering uit handen heeft gegeven aan RechtNet Advocaten te Den Bosch, die getracht heeft buitengerechtelijke voldoening van [gedaagde] te verkrijgen (productie 7).
Tot op heden heeft [gedaagde] niet betaald.
3 Het geschil
[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen:
-
primair een bedrag van € 4.494,44 te vermeerderen met de contractuele rente van 7% per jaar vanaf 27 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,
-
subsidiair een bedrag van € 4.293,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
27 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,
- zowel primair als subsidiair met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
[eiseres] heeft - kort gezegd - gesteld voor de door haar verrichte werkzaamheden nog een bedrag van € 3.566,40 aan hoofdsom van [gedaagde] te moeten ontvangen. Daarnaast is de contractuele rente van 7 % per jaar op basis van art. 9.5. van de toepasselijke algemene voorwaarden vanaf de vervaldatum van de factuur verschuldigd, hetgeen tot en met 26 juli 2023 € 345.26 bedraagt. Omdat de vordering uit handen is gegeven, vordert [eiseres] een bedrag van € 582,78 aan buitengerechtelijke kosten (incl. btw).
[gedaagde] heeft - kort gezegd - als verweer aangevoerd een betalingsvoorstel aan [eiseres] te hebben gedaan, waarmee [eiseres] echter niet akkoord ging. [gedaagde] heeft aangevoerd een uitkering te ontvangen en niet meer te kunnen aflossen dan zij heeft aangeboden. Zij moet maandelijks ook nog andere schuldeisers betalen (producties dienaangaande zijn bijgevoegd). [gedaagde] is geen erfgenaam van haar wijlen (schoon)moeder. Wijlen (schoon)moeder was onderverzekerd, maar dat wist [gedaagde] niet. [eiseres] had haar daarover moeten inlichten. [gedaagde] heeft ten slotte aangegeven het op een nette manier te willen oplossen.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist (i) de overeenkomst met [eiseres] te zijn aangegaan, (ii) dat de algemene voorwaarden die [eiseres] hanteert op de overeenkomst van toepassing zijn, (iii) dat [eiseres] de werkzaamheden zoals overeengekomen in de kostenbegroting heeft verricht, (iv) de factuur van 4 maart 2022 te hebben ontvangen, (v) de omvang van de factuur en (vi) de nog verschuldigde hoofdsom niet te hebben betaald. Deze feiten staan dus vast.
Dat [gedaagde] momenteel niet in staat is de hoofdsom te voldoen, doet niet af aan het feit dat zij deze op grond van de overeenkomst moet voldoen. Gelet hierop ligt betaling van de hoofdsom van € 3.566,40 voor toewijzing gereed. Betalingsonmacht bevrijdt een schuldenaar niet van zijn verplichtingen.
De kantonrechter stelt verder vast dat [gedaagde] niet heeft betwist op grond van algemene voorwaarden een rente van maximaal 7% per jaar over de openstaande hoofdsom verschuldigd te zijn, zodat ook dit zal worden toegewezen.
Ten slotte stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] niet heeft betwist de buitengerechtelijke kosten van € 582,78 verschuldigd te zijn, zodat ook deze zullen worden toegewezen.
Echter, anders dan [eiseres] bij petitum heeft gevorderd, ziet de kantonrechter geen grondslag om de contractuele rente van maximaal 7% per jaar (ook) over de verschenen rente (“rente over rente”) en de buitengerechtelijke kosten te bereken, zodat dit zal worden afgewezen.
[gedaagde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
-
explootkosten € 130,49
-
griffierecht € 487,00
-
salaris gemachtigde € 528,00 (twee punten van het toepasselijke tarief)
totaal € 1.145,49,
te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van
€ 4.494,44, te vermeerderen met de contractuele rente van (maximaal) 7 % per jaar vanaf
27 juli 2023 over het bedrag van € 3.566,40 tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.145,49,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.
JC