Civiel recht overig
Vordering wordt toegewezen. Niet onrechtmatig en niet ongegrond.
Rechtbank Limburg, 30 januari 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:820 · Rechtbank Limburg · 30 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rblim-2020-820
Zaakgegevens
Op 30 januari 2020 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 30 januari 2020
- Datum publicatie
- 4 februari 2020
- Zaaknummer
- C/03/269908 / KG ZA 19-485
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2020:820
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering wordt toegewezen. Niet onrechtmatig en niet ongegrond.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/269908 / KG ZA 19-485
Vonnis in kort geding van 30 januari 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJVEN JONGEN B.V.,
gevestigd te Landgraaf,
eiseres,
advocaat mr. H.R. Verschuur,
tegen
1. vennootschap naar Duits recht
[gedaagde sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagden,
beiden niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 22 oktober 2019, met producties,
-
de mondelinge behandeling op 16 januari 2020,
-
het tijdens de behandeling tegen gedaagden verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Eiseres vordert dat het de voorzieningenrechter moge behage, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
I. gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 2.000.000,--, zegge: twee miljoen Euro, te vermeerderen met BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
19 december 2018, althans vanaf een door U E.A. in goede justitie te bepalen termijn, uiterlijk binnen vijf dagen na het te dezen te wijzen vonnis;
subsidiair:
II. gedaagde te veroordelen tot betaling van een door U E.A. in goede justitie te bepalen bedrag, uiterlijk binnen vijf dagen na het te dezen te wijzen vonnis;
primair en subsidiair:
III. gelijktijdig met het wijzen van vonnis een certificaat af geeft zoals bedoeld in artikel 53 herziene EEX-verordening 1215/2012 en nader opgenomen in Bijlage 1 bij deze Verordening (en als productie 4 aan de dagvaarding gehecht);
IV. gedaagde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, uiterlijk binnen vijf dagen na het te dezen te wijzen vonnis onder bepaling dat als deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd,
V. gedaagde te veroordelen in de betaling van de nakosten ad een bedrag van € 157,-- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 82,-- in geval van betekening onder bepaling dat als deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
De voorzieningenrechter begrijpt uit de zijdens eiseres gegeven toelichting ter kort gedingzitting en uit het gestelde in het lichaam van de dagvaarding dat [gedaagde sub 1] (hierna: de KG), rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [gedaagde sub 2] , haar bestuurder, als haar wederpartij (de “koper”) moet worden aangemerkt in het kader van de koopovereenkomst van 27 november 2018 en dat de heer [gedaagde sub 2] de beherend vennoot van de KG is. De laatste wordt uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de te betalen boete c.q. schuld van de KG.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het petitum in het enkelvoud is gesteld en dat hoofdelijke veroordeling niet gevorderd is. De voorzieningenrechter begrijpt de onder 2.1. opgenomen vordering aldus dat gevorderd wordt gedaagden te veroordelen tot in totaal een bedrag van € 2.000.000,00.
De voorzieningenrechter acht de vereiste spoedeisendheid voldoende aannemelijk gemaakt en is van oordeel dat de vordering ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond is, zodat deze zal worden toegewezen, als in het dictum verwoord, met dien verstande dat bij de in het dictum opgenomen veroordelingen telkens wordt uitgegaan van de datum van betekening van dit vonnis.
Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. Deze worden aan de zijde van eiseres begroot op:
-
exploot van dagvaarding € 105,73
-
griffierecht € 4.131,00
-
salaris advocaat € 980,00
totaal: € 5.216,73.
De rente en nakosten worden toegewezen als in het dictum verwoord.
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt gedaagden tot betaling, te voldoen uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, van een bedrag ad in totaal € 2.000.000,00, zegge: twee miljoen Euro, te vermeerderen met BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, vanaf 19 december 2018;
veroordeelt elk van de gedaagden tot betaling, te voldoen uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, van de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres begroot op € 5.216,73, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, daarover als niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis wordt betaald, vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele betaling;
veroordeelt elk van de gedaagden in de nakosten ad een bedrag van € 157,00 zonder betekening van dit vonnis, verhoogd met een bedrag van € 82,00 in geval van betekening van dit vonnis, als deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis worden voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele betaling;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
geeft het certificaat af, als bedoeld in rechtsoverweging 2.1., dat aan dit vonnis is gehecht;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken.