Civiel recht overig

Kort geding. Exploitatieplicht.

Rechtbank Limburg, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
11 september 2026
Zaaknummer
12330491 CV EXPL 26-3966
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9708
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Exploitatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12330491 \ CV EXPL 26-3966

Vonnis in kort geding van 16 september 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V,

te [plaats 1] , gemeente Heerlen,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. J.A.M.W. Snackers-Lutgens,

tegen

[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],

te [plaats 3] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 0 tot en met 15
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Vervolgens is de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot een minnelijke oplossing te komen.

1.3.

[gedaagde] heeft op 9 september 2026 een niet ondertekend plan van aanpak schuldhulpverlening, opgesteld door de gemeente Venlo, in het geding gebracht. Niet gebleken is dat partijen geslaagd zijn tot een minnelijke oplossing te komen.

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 10 januari 2025 hebben partijen een franchiseovereenkomst gesloten met betrekking tot de exploitatie van [handelsnaam] . In deze overeenkomst staat voor zover van belang:

“(…) 16.1 Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 4 (vier) jaar en 9 (negen) maanden, ingaande op 01 februari 2025 en eindigende van rechtswege op

31 oktober 2029. (…)

19 Tussentijdse beëindiging

19.1

Indien:

a) de franchisenemer of franchisegever in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft aangevraagd, een beroep op de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen heeft gedaan, dan wel franchisenemer niet langer bevoegd is zelfstandig rechtshandelingen te verrichten, (…) heeft de andere partij het recht (…) de onderhavige overeenkomst onmiddellijk en zonder rechterlijke tussenkomst bij aangetekend schrijven te ontbinden. Zulks onverminderd het recht van de ontbindende partij om van de nalatige partij alsnog nakoming van diens verplichtingen te vorderen, is de ontbindende partij gerechtigd van de nalatige partij schadevergoeding te vorderen (…)

29.1

Indien franchisenemer in strijd handelt met de bepalingen in deze overeenkomst, zal franchisegever, na ingebrekestelling, gedwongen worden tot het nemen van maatregelen en is franchisenemer verplicht alle daaraan verbonden kosten, waaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand, zowel in als buiten rechte geheel aan franchisegever te vergoeden. (…)”

2.2.

Op 13 januari 2025 respectievelijk 4 februari 2025 hebben partijen een huurovereenkomst ondertekend. Daarin staat voor zover relevant:

“(…) 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van vier jaren en 9 maanden, ingaande op 1 januari 2025 en lopende tot en met 31 oktober 2029. (…)

3.3

Beëindiging van deze overeenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twaalf maanden, waarbij verhuurder de wettelijke opzeggingsgronden in acht dient te nemen.

3.4

Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.

9.5 (…)

(…) Huurder zal het in het gehuurde door hem uitgeoefende bedrijf voor het publiek minimaal geopend houden gedurende de tijden en de op de dagen dat het winkelcentrum is geopend. (…)”

2.3.

Bij e-mailbericht van 10 april 2026 deelt [gedaagde] aan [eiseres] mee:

“(…) In de praktijk heb ik echter de afgelopen periode moeten constateren dat het ondernemerschap mij minder ligt dan dat ik vooraf had gehoopt. Ondanks mijn inzet en betrokkenheid merk ik dat het mij steeds minder energie en voldoening geeft, en dat het werk mij niet het werkplezier brengt waar ik destijds op had gerekend. (…) Daarnaast wil ik direct aangeven dat de huidige financiële situatie het voor mij erg moeilijk maakt. (…) Op dit moment ben ik niet in staat om alle kosten in een keer te dragen, wat de situatie voor mij extra zwaar maakt. (…) ik als 23-jarige nog aan het begin van mijn loopbaan sta en het voor mij wel belangrijk is om werk te doen waar ik dagelijks met passie en plezier voor kan gaan. Op dit moment ervaar ik dat niet, en het vooruitzicht om dit nog meerdere jaren voort te zetten, voelt voor mij niet als de juiste weg en zal mij naar verwachting niet het geluk en voldoening brengen waar ik naar opzoek ben. (…) zou ik graag samen willen kijken naar de mogelijkheden en samen te bespreken naar de opties). (…)”

2.4.

Bij e-mailbericht van 14 april 2026 deelt [gedaagde] aan [eiseres] mee:

“(…) Na aanleiding van mijn eerdere mail wil ik aangeven dat ik wil stoppen als franchisenemer van [handelsnaam] en de vestiging wil verkopen. Ik vind dit geen gemakkelijke beslissing (…) Helaas merk ik dat de financiële situatie mij te veel is en ook niet haalbaar is. Daarnaast ervaar ik dat het mij persoonlijk ook te veel energie koste en dat het plezier dat nodig is om dit goed te blijven doen ontbreekt (…)”.

2.5.

[eiseres] heeft laten weten mee te willen werken aan een oplossing.

2.6.

[gedaagde] heeft eenzijdig besloten de deuren van de vestiging in [plaats 2] per 1 juli 2026 te sluiten.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • [gedaagde] te gebieden per direct haar verplichtingen uit de franchise- en huurovereenkomst na te komen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor een gedegen exploitatie van [handelsnaam] , zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij nalaat om aan haar contractuele verplichtingen te voldoen, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen gebod op straffe van een dwangsom,

  • [gedaagde] te verbieden zich jegens derden uit te laten aangaande een (definitieve) sluiting van [handelsnaam] of woorden c.q. insinuaties van gelijke strekking, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per voorval waarin zij zich toch op voornoemde wijze naar derden zou uitlaten, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen verbod op straffe van een dwangsom,

  • veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.665,02 aan huurachterstand en franchisefee,

  • veroordeling van [gedaagde] tot betaling van proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing daarvan is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.2.

[eiseres] betoogt terecht dat (langdurige) leegstand een onroerende zaak in het algemeen geen goed doet en nog los van het feit dat de kans op kraak en vernieling toeneemt, maakt (langdurige) leegstand van een pand het doorgaans lastiger om het opnieuw te verhuren. Daarmee is het spoedeisend belang van [eiseres] bij beoordeling van haar vordering in kort geding gegeven. Overigens heeft [gedaagde] het spoedeisend belang ook niet betwist.

4.3.

Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat in dit kort geding geen plaats is voor een diepgravend feitenonderzoek naar de juistheid van bepaalde feiten of voor bewijslevering. Dat moet zo nodig gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is beperkt tot een beantwoording van de vraag of de vordering van [eiseres] in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het, daarbij de belangen van beide partijen afwegend, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

4.4.

Beoordeeld dient te worden of [gedaagde] kan worden gehouden aan haar verplichting het van [eiseres] gehuurde tot het einde van de huurovereenkomst te blijven exploiteren. [gedaagde] heeft gesteld dat haar onderneming verliesgevend is. Zij kan de kosten (leveranciers en personeel) niet meer betalen en krijgt van de gemeente hulp bij haar schuldenproblematiek (schuldhulpverlening). Zij is van mening dat naleving van de exploitatieplicht conform de contractuele voorwaarden niet van haar gevergd kan worden.

4.5.

[gedaagde] is op grond van de huurovereenkomst gehouden tot exploitatie van het gehuurde. Of die exploitatieplicht vervolgens afgedwongen kan worden hangt af van een belangenafweging. Een tegenvallende exploitatie komt in beginsel voor rekening en risico van [gedaagde] als ondernemer-huurster. Dat wil echter niet zeggen dat [gedaagde] onder alle omstandigheden gehouden is te blijven exploiteren. Een exploitant kan niet te allen tijde ertoe worden verplicht een verlieslatende onderneming te blijven drijven. Indien de exploitant aanzienlijke verliezen lijdt, kan - onder omstandigheden - het belang van de exploitant bij staking van de exploitatie zodanig zwaar wegen, dat het belang van de wederpartij bij nakoming van de exploitatieverplichting hiervoor moet wijken.

4.6.

[gedaagde] heeft haar stelling dat de onderneming verliesgevend is niet met financiële stukken onderbouwd. Daarentegen heeft [eiseres] wel cijfers overgelegd. [gedaagde] heeft de juistheid van deze door [eiseres] in het geding gebrachte cijfers niet bestreden. Op basis van die cijfers kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat de kosten de baten (nog) niet overstijgen. De nettowinst in 2025 bedraagt € 18.944,00 oftewel € 1.578,67 per maand. Daarvan dient [gedaagde] - zo neemt de kantonrechter aan - ook nog haar eigen ondernemersloon te betalen. Uit productie 14 bij dagvaarding volgt over het eerste half jaar van 2026 een cumulatieve nettowinst van ongeveer € 5.052,50. Dit betreft een bedrag van grofweg € 840,00 per maand, met de kanttekening dat het ondernemersloon nog betaald dient te worden. Dat is niet rooskleurig, maar daaruit valt niet af te leiden dat de onderneming verlieslatend is. Het door [gedaagde] na de mondelinge behandeling in het geding gebrachte plan van aanpak schuldhulpverlening kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover de gemeente [gedaagde] heeft geadviseerd de deuren van [handelsnaam] te sluiten, zoals [gedaagde] beweert, heeft te gelden dat het afgaan op een dergelijk advies voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Dat [gedaagde] het werkplezier mist en maandelijks weinig overhoudt is al met al geen reden om de exploitatie te staken.

4.7.

Bij deze stand van zaken weegt het belang van [eiseres] bij opening van de deuren van [handelsnaam] c.q. nakoming van de exploitatieplicht zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij staking van de exploitatie.

4.8.

Gezien het vorenstaande is voorshands voldoende aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde] zal veroordelen om de exploitatieverplichting na te komen. Bij afweging van de belangen, ziet de kantonrechter daarmee aanleiding om de vordering die strekt tot nakoming van de exploitatieverplichting toe te wijzen. De kantonrechter ziet eveneens aanleiding om de gevorderde dwangsom onverkort op te leggen, omdat de verwachting is dat [gedaagde] zich anders niet aan de exploitatieplicht zal houden. De dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna bepaald.

4.9.

[eiseres] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er belang bij heeft dat [gedaagde] geen uitlatingen doet over een (definitieve) sluiting van [handelsnaam] of woorden c.q. insinuaties van gelijke strekking. Dit deel van de vordering zal eveneens worden toegewezen. De daaraan gekoppelde dwangsom zal ook worden toegewezen en gemaximeerd als hierna bepaald.

4.10.

[gedaagde] heeft de hoogte en omvang van de huurachterstand en franchisefee niet weersproken, zodat het gevorderde bedrag van € 3.665,02 zal worden toegewezen.

4.11.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

129,54

- griffierecht

€

529,00

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.667,54

4.12.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] per direct haar verplichtingen uit de franchise- en huurovereenkomst na te komen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor een gedegen exploitatie van [handelsnaam] , zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij nalaat om aan haar contractuele verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 30.000,00,

5.2.

verbiedt [gedaagde] zich jegens derden uit te laten aangaande een (definitieve) sluiting van [handelsnaam] of woorden c.q. insinuaties van gelijke strekking, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per voorval waarin zij zich toch op voornoemde wijze naar derden zou uitlaten, met een maximum van € 10.000,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.665,02 aan huurachterstand en franchisefee,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.667,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Productie 2 dagvaarding Productie 3 dagvaarding Productie 8 dagvaarding Productie 8 dagvaarding Producties 13 en 14 dagvaarding