Personen- en familierecht

Eindbeschikking: afwijzing verzoek gezamenlijk gezag; bepaling omgangsregeling na advies raad; intrekking…

Rechtbank Limburg, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
C/03/326852 / FA RK 24-334
Procedure
Rekestprocedure
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:11748
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eindbeschikking: afwijzing verzoek gezamenlijk gezag; bepaling omgangsregeling na advies raad; intrekking verzoek kinderalimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

Zaaknummer: C/03/326852 / FA RK 24-334

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:

[de vader] ,

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonend in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. F.G.H.J. Niemarkt, kantoorhoudend in Heerlen,

en:

[de moeder] ,

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonend in [woonplaats 2] ,

voorheen advocaat mr. P.J.H.C. Glenz, kantoorhoudend in Landgraaf;

thans advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon, kantoorhoudend in Heerlen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bij deze zaak betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.

Wederom gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank gegeven en op
21 mei 2024 en 28 maart 2025 uitgesproken beschikkingen.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van de raad met als bijlage de eindrapportage van het [hulpverlening], ingekomen op

22 december 2025;

- het raadsrapport van 21 mei 2026, ingekomen op 28 mei 2026.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 augustus 2026 waarbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de raad.

2 Het advies van de raad

2.1.

De raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vader om hem met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten af te wijzen. Verder adviseert de rechtbank een omgangsregeling te bepalen waarbij [minderjarige] elke week op een doordeweekse schooldag na school tot 18.00 uur bij de vader verblijft en waarbij de vader haar uit school haalt en de moeder haar ’s avonds bij de woning van de partner van de vader ophaalt. Daarnaast, afgestemd op de weekenden van het halfzusje van [minderjarige], op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de moeder haar brengt en de vader haar terugbrengt.

2.2.

Het is in het belang van [minderjarige] dat beide ouders betrokken worden bij belangrijke zaken en beslissingen in haar leven en dat zij zich inspannen om op een goede wijze met elkaar te communiceren. [minderjarige] groeit op met twee ouders die erg verschillende opvoedstijlen en maatschappelijke overtuigingen hebben die onderdeel zijn geworden van de strijd tussen de ouders. Het is de ouders, ondanks hun inzet tijdens het BOR 2 traject, nog niet gelukt om in het belang van [minderjarige] samen te werken. Het lukt de vader niet om overleg te hebben met de moeder. Het is niet te voorzien dat het de ouders lukt om binnen afzienbare tijd het oordeel over elkaars manier van opvoeden los te laten en beter samen te gaan werken. De raad adviseert daarom het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. Uit het onderzoek komen veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] naar voren die onder andere gelegen zijn in de huisvesting van de vader. De raad is daarom van mening dat de omgang met de vader moet plaatsvinden in de woning van de partner van de vader. Ook zijn er veiligheidsrisico’s in de vorm van agressief gedrag van de vader in de openbare ruimte, vermoedelijk vuurwapenbezit en activiteiten in het criminele circuit. Omdat er nog geen sprake is van constructief overleg tussen de ouders en de zorgen over het gedrag van de vader onvoldoende weggenomen kunnen worden is de raad van mening dat [minderjarige] nog niet bij de vader kan overnachten.

3 De standpunten tijdens de mondelinge behandeling

3.1.

De vader stemt niet in met het advies van de raad. Er staan, mogelijk door taal- of communicatieproblemen onwaarheden in het rapport van de raad. De raad heeft voetstoots overgenomen wat de moeder over de vader heeft verteld zonder dat zij zelf onderzoek hebben verricht ter controle. Zo staat er ten onrechte in het rapport dat de woning van de vader zou zijn gesloten vanwege het gebruik van de woning voor prostitutie. De vader betwist ook dat hij degene zou zijn die vanuit een witte auto een vrouw zou hebben aangesproken. De betreffende auto staat ook niet op zijn naam. De vader is ook niet vuurwapengevaarlijk. Het laatste incident dateert van tien jaar geleden. De vader betwist dat hij in de criminaliteit zit. Het had op de weg van de raad gelegen om een strafblad op te vragen. Er wordt veel te veel gefocust op het criminele verleden van de vader. De vader betwist ook dat hij ruzie heeft met de moeder. Sinds mei 2026 gaat het goed tussen de ouders. De vader koopt ook spullen voor [minderjarige] en de moeder informeert hem over zaken aangaande [minderjarige]. Het is misschien de moeder die weerstand voelt om de omgang uit te breiden en niet zo zeer vanwege een probleem bij de vader. De vader heeft veel geleerd van de opvoedbegeleiding en vraagt zich af wat hij nog zou moeten leren en wie er wanneer bepaalt wanneer het goed genoeg is. De vader wil de omgang met [minderjarige] gelijk trekken met de omgang van haar halfzusje [kind]. [minderjarige] geeft aan dat ze ook bij de vader wil overnachten en voelt zich achtergesteld bij haar halfzusje. Voor de vader is de omgangs-regeling het voornaamste. Hij is bereid het verzoek tot gezamenlijk gezag te laten vallen om de moeder gerust te stellen mits de omgangsregeling met [minderjarige] wordt gelijkgetrokken met die van [kind]. Men heeft het over een opbouw van de omgang maar het blijft onduidelijk hoe die er dan uit gaat zien. De opbouw mag niet aan het oordeel van de moeder worden overgelaten.

3.2.

De moeder stelt dat er nu meer rust is tussen de ouders omdat er begeleiding is voor de omgang tussen de vader en [minderjarige]. Pas vorige week heeft er voor eerst onbegeleid omgang plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige]. De vader moet nu eerst gaan laten zien dat hij [minderjarige] één keer gedurende de week en één keer in het weekend onbegeleid kan opvangen. Dat is al een hele grote stap die wordt gezet in het uitbreiden van de omgang. De vader moet het vertrouwen winnen van de moeder. Wanneer het goed gaat en [minderjarige] stevig in haar schoenen staat, kan er mogelijk worden uitgebreid op termijn. [minderjarige] is pas vier jaar oud en kan niet overzien wat het betekent om te overnachten bij de vader. Zij zegt misschien wel tegen de vader dat ze het wil, maar ze slaapt altijd bij de moeder en hoogstens drie keer per jaar bij haar oma. Dat vindt ze heel spannend. [minderjarige] is ook nog te jong om uitspraken te doen zoals dat zij zich achtergesteld zou voelen bij [kind]. De moeder van [kind] is niet tevreden over het verloop van de omgang tussen [kind] en de vader en is voornemens een procedure te starten. De moeder ervaart nu meer rust omdat de raad heeft gezien dat het gezamenlijk ouderlijk gezag en overnachtingen te veel zijn. Ze hoeft daarom nu niet in te zoomen op criminele acties van de vader. Ze had het vermoeden dat hij zich bezig hield met criminele activiteiten en heeft haar vermoedens bevestigd gezien in de bevindingen van de raad. Het is zorgelijk dat de vader blijft ontkennen dat er sprake is van criminele activiteiten. Het zijn bovendien niet alleen de criminele activiteiten van de vader die maken dat de omgang niet kan worden uitgebreid zoals door de vader verzocht. Tijdens de begeleide omgang is ook gebleken dat de vader nog niet altijd beschikt over de benodigde opvoedvaardigheden. De moeder wil de vader een rol laten spelen in het leven van [minderjarige] en stelt voor om volgende week te starten met de door de raad geadviseerde omgangs-regeling. Daarbij heeft ze de voorkeur voor een vaste dag, bij voorkeur wanneer de partner van de vader niet hoeft te werken. Het gezag en de omgangsregeling kunnen niet tegen elkaar worden uitgeruild. Het is belangrijk in het kader van de rust en stabiliteit in het leven van [minderjarige] dat de moeder belast blijft met het eenhoofdig ouderlijk gezag. De moeder informeert de vader over belangrijke zaken betreffende [minderjarige]. Hij gaat ook mee naar medische afspraken en ze heeft er geen bezwaar tegen als hij meegaat naar oudergesprekken op school mits er geen ruzie wordt gemaakt.

3.3.

De raad handhaaft het advies en heeft tijdens de zitting gesteld dat er nog zorgen zijn over de opvoedomgeving van de vader waar de vader geen duidelijkheid over heeft gegeven. De raad heeft de informatie over de criminele activiteiten en het verleden van de vader van de politie gekregen. De moeder had al zorgen over de vader die vervolgens zijn bevestigd door het rapport van de raad. De moeder maakt zich zorgen over hoe de omgang zal verlopen wanneer de relatie van de vader met zijn huidige partner zou eindigen. Het is immers een voorwaarde voor omgang dat deze plaatsvindt in de woning van de partner van de vader. De raad stelt bovendien dat de stap van begeleide omgang naar onbegeleide omgang al een grote verandering is. Eerst moet worden bekeken hoe deze stap zal verlopen en moet de moeder de kans krijgen om het vertrouwen in de vader op te bouwen. De ouders hebben nu weer contact zodat ze mogelijk op termijn zelf afspraken kunnen maken over een uitbreiding en een eventuele overnachting. Het is moeilijk om daar een tijdspad aan te verbinden. Of en zo ja wanneer de omgang kan worden uitgebreid, is afhankelijk van het verloop van de geadviseerde uitbreiding.

4 De verdere beoordeling

Ingetrokken verzoek

4.1.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek ten aanzien van de kinderbijdrage ingetrokken.

4.2.

Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, kunnen partijen hun verzoeken intrekken. De intrekking heeft dan tot gevolg dat de verzoeken niet meer kunnen worden onderzocht. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de moeder met betrekking tot de kinderbijdrage afwijzen.

Ouderlijk gezag en vaststellen omgangsregeling

4.3.

Zoals al in de beschikking van 21 mei 2024 is overwogen dient het verzoek van de vader met betrekking tot het ouderlijk gezag beoordeeld te worden op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het verzoek met betrekking tot de ver-deling van de zorg- en opvoedingstaken danwel de omgangsregeling op grond van artikel 1:253a BW danwel artikel 1:377a BW.

4.4.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich mee dat het gezag in het belang van [minderjarige] niet aan de vader kan worden toegekend.

4.5.

Gebleken is echter dat [minderjarige] opgroeit met twee ouders die erg verschillende opvoedstijlen en maatschappelijke overtuigingen hebben. Deze verschillen zijn al lange tijd onderdeel van de strijd en het wantrouwen tussen de ouders en maken dat het hen nog niet is gelukt om samen te werken als ouders. De verwachting is dat het de ouders ook niet binnen afzienbare tijd zal lukken om hierin verandering te brengen. Tijdens het BOR 2 traject is gezien dat beide ouders zich positief hebben ingezet, maar dat het de vader nog steeds niet lukt om overleg te hebben met de moeder over [minderjarige] zonder het te voelen als het moeten afleggen van verantwoording aan de moeder. Dit maakt dat er nu onvoldoende basis is om in samenwerking met elkaar in het belang van [minderjarige] beslissingen te kunnen nemen. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedomgeving van de vader waarover hij nog steeds geen duidelijkheid heeft verstrekt en waarbij hij ook niet lijkt in te zien dat het belangrijk is om hierover openheid van zaken te geven. Voor een gezonde ontwikkeling van [minderjarige] is het van belang dat haar duidelijkheid, stabiliteit en rust wordt geboden en om ervoor te zorgen dat belangrijke beslissingen in haar leven zonder strijd of vertraging genomen kunnen worden. Daarbij komt dat tijdens de zitting door de moeder is gesteld en door de vader is bevestigd dat de moeder de vader informeert en in de gelegenheid stelt om bij belangrijke afspraken aanwezig te zijn en hij daarmee ook op die manier betrokken wordt in het leven van [minderjarige]. De vader heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zijn prioriteit en wensen niet zo zeer liggen in het verkrijgen van het ouderlijk gezag maar veeleer bij het uitbouwen van de omgang met [minderjarige]. Dit alles in ogenschouw nemend ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van de vader af te wijzen.

4.6.

De rechtbank is verder met de raad en op de door de raad in het rapport van

21 mei 2026 aangevoerde gronden, die de rechtbank na eigen afweging overneemt en tot de hare maakt, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om ook het advies voor wat betreft de omgangsregeling te volgen. Gezien is tijdens het BOR 2 traject dat de vader en [minderjarige] genieten van de omgangsmomenten. Het [hulpverlening] heeft dan ook geconcludeerd dat een voortdurende begeleiding van de omgangsmomenten niet langer nodig is. Wel is gezien dat de vader op momenten nog handvatten nodig lijkt te hebben om om te leren gaan met de tegendraadsheid van [minderjarige] en haar neiging om grenzen op te zoeken. De ouders hanteren beiden bovendien heel verschillende opvoedstijlen. Dat is voor de vier jarige [minderjarige] erg verwarrend, vooral gelet op haar uitdagende gedrag. Juist voor [minderjarige] is het nodig dat zij structuur en duidelijkheid krijgt geboden in de opvoeding en is het hanteren van twee verschillende opvoedstijlen die niet op elkaar aansluiten en waarbij het de ouders nog steeds niet lukt om samen te werken, niet helpend. Daarbij komt dat er nog steeds zorgen en onduidelijkheden zijn over het gedrag van de vader. Deze signalen zijn, anders dan de vader stelt, niet enkel gebaseerd op hetgeen de moeder aan de raad heeft verteld maar komen voort uit en worden gestaafd door het politiedossier over de vader. Zo komt uit het politiedossier naar voren dat er, ook nog in het afgelopen jaar (2026/2025), sprake is geweest van agressie in de openbare ruimte, praktijken rondom illegale seksinrichtingen, escortbedrijven en thuisprostitutie in de woning van de vader, vermoedelijk vuurwapenbezit en conflicten met de moeder van [kind]. Dat de vader deze zorgen ondanks dat deze in het politiedossier zijn gedocumenteerd, bagatelliseert en/of ontkent, baart zorgen en draagt niet bij aan het opbouwen van het vertrouwen van de moeder in de vader. Zelfs als de gemeente heeft besloten zijn woning niet te sluiten vanwege kort gezegd vermeende prostitutie, zoals de vader zonder nadere onderbouwing met stukken heeft gesteld, blijft staan dat hij de afgelopen jaren met enige regelmaat in aanraking met de politie is gekomen. De aard ervan roept logischerwijs vragen en onrust op bij de moeder. De combinatie van opvoedverschillen tussen de ouders en gedragingen van de vader maakt dat een verdere uitbreiding dan de geadviseerde omgang zoals door de vader is gewenst, op dit moment nog niet aan de orde kan zijn. Het is nu aan de vader om te laten zien dat hij op een goede en veilige manier uitvoering kan geven aan de onbegeleide omgang zoals door de raad is geadviseerd. Of en wanneer de omgang in onderling overleg tussen de ouders verder kan worden uitgebreid, is op dit moment nog niet te zeggen en is afhankelijk van het verloop van de omgangsregeling en het opbouwen van het vertrouwen en het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders onderling. De mogelijkheden die de moeder aan de vader biedt, zoals samen naar medische afspraken en oudergesprekken op school gaan, geven de vader de kans om aan de moeder te laten zien dat ze in het belang van [minderjarige] samen kunnen optrekken. En het laat [minderjarige] zien dat haar ouders er voor haar samen zijn.

4.7.

Gelet op het vorenstaande bepaalt de rechtbank onder afwijzing van het meer of anders (voorwaardelijk) verzochte door de vader en de moeder, een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader op de wijze zoals hierna onder de beslissing vermeld.

Kosten rechtens

4.8.

De moeder heeft in haar voorwaardelijk verzoek de zinsnede ‘kosten rechtens’ opgenomen. Dit betekent dat zij de rechtbank verzoekt een beslissing te nemen over de proceskosten, maar daar zelf geen standpunt over inneemt. De rechtbank zal hierover als volgt beslissen. In familiezaken geldt de hoofdregel dat de door iedere partij gemaakte proceskosten voor eigen rekening van die partij blijven. Er is in deze zaak geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt een omgangsregeling waarbij [minderjarige]:

- elke week op een doordeweekse schooldag na school tot 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] uit school haalt en de moeder [minderjarige] ’s avonds bij de woning van de partner van de vader ophaalt;

- afgestemd op de weekenden waarin [kind] bij de vader verblijft, op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader haar terugbrengt;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure moet betalen;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 22 oktober 2026.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.