Verbintenissenrecht

Verzoek tot betaling van billijke vergoeding en aanvullende verzoeken afgewezen. Geen ernstig verwijtbaar…

Rechtbank Limburg, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
12263618 \ AZ VERZ 26-106
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:11058
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek tot betaling van billijke vergoeding en aanvullende verzoeken afgewezen. Geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer / rekestnummer: 12263618 \ AZ VERZ 26-106

Beschikking van 21 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het schriftelijke verzoek tot het online houden van de mondelinge behandeling

- de akte houdende correctie, nadere toelichting en wijziging van het verzoek, ontvangen op 28 augustus 2026

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling van 23 september 2026.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is sinds 14 februari 2022 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is jobcoach en zij begeleidde flexmedewerkers op de werkvloer tegen een salaris van € 2.630,00 bruto per maand, exclusief een functietoeslag van € 400,00 en 8% vakantietoeslag.

2.2.

Sinds 20 mei 2025 is [werknemer] arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werknemer] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkgever] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen. Verder verzoekt [werknemer] :

  • betaling van de billijke vergoeding van € 18.000,00 bruto;

  • betaling van de transitievergoeding van € 7.519,88 bruto;

  • betaling van € 1.548,71 bruto aan achterstallig loon;

  • betaling van de wettelijke verhoging;

  • betaling van € 5.704,00 bruto aan openstaande vakantiedagen;

  • betaling van de wettelijke rente;

  • verstrekking van een deugdelijke eindafrekening en getuigschrift;

  • betaling van de proceskosten,

en subsidiair betaling van € 3.000,00 aan smartengeld.

[werknemer] heeft aan het verzoek – kort weergegeven –ten grondslag gelegd dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten door:

  • de re-integratieverplichtingen niet na te komen;

  • loonstroken te vervalsen;

  • de arbo-procedure te manipuleren door van arbodienst te wisselen;

  • systematisch druk uitoefenen op een ziekte werkneemster;

  • blanco formulieren laten ondertekenen;

  • inconsistent toepassen van de cao.

3.2.

[werkgever] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Ook ten aanzien van de overige verzoeken heeft [werkgever] gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

De mondelinge behandeling

4.1.

Op 23 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [werknemer] zou aanvankelijk via teams deelnemen aan de zitting maar door geluidsproblemen bij [werknemer] heeft zij deelgenomen via de telefoonverbinding van haar gemachtigde.

4.2.

Op een vraag van de kantonrechter wat nu exact verzocht wordt, heeft de gemachtigde van [werknemer] geantwoord dat de akte van 26 augustus 2026 gevolgd moet worden. Verder heeft de gemachtigde als antwoord op het verweerschrift van [werkgever] een korte notitie voorgelezen die op zijn telefoon stond. Verder gaf de gemachtigde aan dat de kern van zijn betoog in de stukken staat.

4.3.

Nadat partijen hun stellingen nog hebben toegelicht, heeft de kantonrechter de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat in de zaak een uitspraak (beschikking) komt. Het processuele debat is hiermee geëindigd. Nog diezelfde dag heeft de gemachtigde van [werknemer] twee e-mails gestuurd waarin hij zijn verzoeken nader motiveert en uiteenzet. Dit is echter in strijd met een goede procesorde. Met de inhoud van die e-mails mag en zal daarom geen rekening worden gehouden.

De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden

4.4.

[werknemer] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten, de zogenoemde e-grond.

De kantonrechter stelt voorop dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

4.5.

De kantonrechter oordeelt dat van zodanige omstandigheden geen sprake is, althans dit is door [werknemer] niet aangetoond. Voor dit oordeel is het volgende van belang.

Vooropgesteld gesteld wordt dat op [werknemer] de stel- en zo nodig de bewijslast rust van haar stellingen. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] niet heeft voldaan aan de stelplicht. De verwijten die [werknemer] [werkgever] maakt en die tot de conclusie zouden moeten leiden dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten, zijn niet gemotiveerd en ook niet onderbouwd. [werknemer] kan niet volstaan met het in algemene bewoordingen benoemen dat [werkgever] tekort schiet in onder meer re-integratieverplichtingen. Het had in dit verband op de weg van [werknemer] gelegen om hierover een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen en deze over te leggen. Dit is niet gebeurd, althans een deskundigenoordeel is niet in de procedure overgelegd.

4.6.

[werkgever] heeft bovendien in haar verweerschrift uitgebreid aangegeven wat zij heeft gedaan. Zo is er onder meer een probleemanalyse en plan van aanpak opgesteld. Daarnaast is een functionele mogelijkheden lijst opgesteld, is de probleemanalyse bijgesteld, heeft er een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden, is er een onderzoek gedaan naar passend re-integratiewerk, is re-integratie in spoor 2 ingezet en is er aanvullende expertise ingezet. Ook heeft [werkgever] aangegeven dat [werknemer] frequent door de bedrijfsarts is gezien. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat gedurende een groot deel van het eerste ziektejaar geen of onvoldoende benutbare mogelijkheden aanwezig waren.

Hoewel daartoe op de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld, heeft de gemachtigde de stellingen zoals opgenomen in het verweerschrift niet afzonderlijk betwist. De gemachtigde heeft enkel verwezen naar de inhoud van het verzoekschrift en de overgelegde producties die in een grote hoeveelheid zijn overgelegd. Volgens vaste rechtspraak kan een gemachtigde niet volstaan met het enkel in het geding brengen van producties. De gemachtigde moet duidelijk maken op welke feiten die in die producties genoemd worden een partij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept. Er moet met andere woorden expliciet een stelling worden ingenomen over de inhoud van een productie. Dat is in deze zaak niet althans onvoldoende gebeurd. Het is in elk geval niet de taak van de kantonrechter om in de stukken een onderbouwing van de stellingen van [werknemer] te zoeken.

4.7.

[werknemer] heeft verder gesteld dat [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld of nagelaten door van arbo-dienst te wisselen, de loonstroken te wijzigen, blanco formulieren te laten ondertekenen en de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte te verminderen van 100% naar 70%. Ook deze stellingen heeft [werkgever] in haar verweerschrift betwist en hierover heeft zij een uitleg gegeven. Deze uitleg komt de kantonrechter plausibel voor en [werknemer] heeft deze ook niet betwist anders dan met een verwijzing naar het verzoekschrift. In het licht van de gemotiveerde betwisting is dit onvoldoende. Met betrekking tot de gestelde ondertekening van blanco formulieren geeft [werknemer] niet aan om welke formulieren het gaat en wat het gevolg daarvan zou moeten zijn. Zij stelt dat het om misbruik van omstandigheden gaat, maar geeft dit verder geen handen en voeten. Ook hier heeft [werknemer] niet voldaan aan de stelplicht.

4.8.

[werknemer] geeft verder aan dat [werkgever] zich selectief beroept op artikel 23 van de arbeidsovereenkomst (cao-uitsluiting) en enerzijds weigert een inflatiecorrectie op grond van de cao maar zich anderzijds wel beroept op de cao ten aanzien van de stopzetting van de reiskostenvergoeding. Wat hiervan ook zij, zonder verdere toelichting, die ontbreekt, levert dit geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten op zeker nu toepassing van de cao is uitgesloten. Ook op dit punt is onvoldoende feitelijk en onderbouwd door [werknemer] gesteld.

4.9.

De slotsom is daarom dat het ontbindingsverzoek van [werknemer] wordt afgewezen.

[werknemer] heeft geen recht op een billijke vergoeding en transitievergoeding

4.10.

Omdat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, blijft het dienstverband in stand. [werknemer] heeft daarom geen recht op toekenning van een billijke vergoeding of een transitievergoeding.

De verzoeken tot betaling van achterstallig salaris, wettelijke verhoging, wettelijke rente en openstaande vakantiedagen worden ook afgewezen

Salaris

4.11.

[werknemer] verzoekt om betaling van achterstallig salaris. Zij stelt dat in het personeelshandboek stafmedewerkers NL 2024 is opgenomen dat in het eerste ziektejaar 100% van het loon moet worden doorbetaald. Vanaf augustus 2025 is slechts 90% doorbetaald.

4.12.

[werkgever] wijst op de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin in artikel 7 is opgenomen welk percentage aan loon bij ziekte wordt betaald. Zij heeft [werknemer] overeenkomstig dit artikel betaald, zodat vanaf maand 7 90% van het loon is betaald. Het personeelshandboek stafmedewerkers maakt geen deel uit van de arbeidsovereenkomst, omdat in de arbeidsovereenkomst geen incorporatiebeding is opgenomen.

4.13.

[werknemer] heeft de stellingen van [werkgever] niet betwist, zodat deze vast staan. De kantonrechter stelt vast dat [werkgever] het loon bij ziekte overeenkomstig de schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft betaald. [werknemer] heeft daarmee geen recht op doorbetaling op basis van 100%. Dat het aangehaalde personeelshandboek wel van toepassing is, is door [werknemer] niet aangetoond. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.

Openstaande vakantiedagen

4.14.

Het recht op uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen bestaat alleen bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit is slechts anders als partijen hierover afspraken hebben gemaakt of als dit blijkt uit de cao of anderszins. Dat is in deze zaak niet aan de orde, zodat ook dit deel van het verzoek wordt afgewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.15.

Omdat de gevraagde loonbetaling en uitbetaling van vakantiedagen wordt afgewezen, heeft [werknemer] geen recht op betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook deze verzoeken worden daarom afgewezen.

Eindafrekening en verstrekking van een getuigschrift

4.16.

Deze verzoeken worden afgewezen. Ook hier geldt dat deze alleen toewijsbaar zijn bij het beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Het subsidiaire verzoek tot betaling van smartengeld wordt ook afgewezen

4.17.

[werknemer] vraagt subsidiair om toekenning van smartengeld. In het verzoekschrift wordt niet gemotiveerd of onderbouwd op basis waarvan [werknemer] recht zou hebben op een immateriële schadevergoeding. Sterker nog, dit verzoek duikt ineens in het petitum op zonder dat daarover bij de feiten of de juridische onderbouwing over wordt gesproken. Dit verzoek wordt daarom bij gebrek aan onderbouwing afgewezen.

4.18.

Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor toekenning van een immateriële schadevergoeding vereist is dat er sprake moet zijn van geleden nadeel, zoals pijn of gederfde levensvreugde, veroorzaakt door -in dit geval- [werkgever] . Daarvan is geen sprake.

proceskosten

4.19.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 1 BW.