Verbintenissenrecht

Conventie en reconventie, over en weer straat- en contactverbod gevorderd. In conventie staat onweersproken…

Rechtbank Limburg, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
C/03/355129 / KG ZA 26-322
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. A.W.M. Mans, mr. S.X.J. Zuidema
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:10597
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conventie en reconventie, over en weer straat- en contactverbod gevorderd. In conventie staat onweersproken onrechtmatig gedrag van de man jegens de vrouw vast, dus volgt toewijzing. Opleggen dwangsom afgewezen wegens ontbreken finanicele draagkracht. Lijfsdwang niet weersproken, dus toegewezen. Volgt proceskostenveroordeling. In reconventie onvoldoende aannemelijk dat de vrouw onrechtmatig gedrag jegens de man vertoont. Volgt afwijzing en proceskostenveroordeling nihil.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/355129 / KG ZA 26-322

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

verblijvend op een geheim adres, woonplaats kiezende te Roggel ten kantore van haar advocaat,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. A.W.M. Mans,

tegen

[de man] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1, 3 en 4 en de mededeling dat productie 2 wordt nagezonden

  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 7

  • de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

[de vrouw] is ter mondelinge behandeling niet in persoon verschenen en is vertegenwoordigd door mr. Mans, die verklaarde dat [de vrouw] niet durfde te komen. [de man] is verschenen, bijgestaan door mr. Zuidema. Ook waren aanwezig:
- mw. [persoon 1], de reclasseringsambtenaar van [de man] , en

- mw. [persoon 2], werkzaam bij de William Schrikker Groep en de gezinsvoogd van de dochter van partijen.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde mr. Mans dat productie 2 (nog) niet beschikbaar is. De voorzieningenrechter stelt vast dat productie 2 geen deel uitmaakt van het procesdossier.

2. De feiten

2.1.

[de vrouw] en [de man] hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van een minderjarige dochter (geboren op 5 november 2024). Hun dochter is uit huis geplaatst en verblijft bij de zus van [de man] . De uithuisplaatsing is op 8 juni 2026 voor een jaar verlengd (productie 1 [de vrouw] ).

2.2.

Gedurende de relatie zijn wegens huiselijk geweld meerdere politiemutaties, veilig huismeldingen en aangiften door [de vrouw] tegen [de man] gedaan. [de man] is veroordeeld voor mishandeling van [de vrouw] en heeft een straf opgelegd gekregen. De reclassering is eveneens betrokken. [de man] heeft de gedragstraining BORG (zijnde een training beëindiging (onderling) relationeel geweld) gevolgd. Daarna is [de man] doorverwezen naar de [kliniek] (een aanbieder van forensische zorg) voor verdere behandeling.

2.3.

Begin juli 2026 (volgens [de vrouw] ) dan wel 17 of 18 juli 2026 (volgens [de man] ) heeft [de vrouw] de relatie beëindigd.

2.4.

[de vrouw] heeft op 7 augustus 2026 aangifte gedaan tegen [de man] waarbij zij heeft aangegeven in de nacht van 6 op 7 augustus 2026 [de man] te zijn verkracht en aangevallen waarbij zij fysiek letsel zou hebben opgelopen bestaande uit een blauw oog, een hoofdwond en blauwe plekken op haar arm.

2.5.

Na medio juli 2026 heeft [de man] [de vrouw] veelvuldig benaderd via telefoon en/of berichten via bankoverschrijving (productie 4 [de vrouw] ).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[de vrouw] vordert dat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg,

locatie Maastricht, rechtsprekende in kort geding, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [de man] te verbieden om zich vanaf de datum van betekening van het te wijzen vonnis voor de duur van 1 jaar, te bevinden en/of te begeven binnen een straal van 500 meter gemeten vanaf de woning van [de vrouw] , staande en gelegen te [adres 1], met machtiging aan [de vrouw] om zo nodig met behulp van de sterke arm van Justitie [de man] dit verbod te doen naleven, op straffe van lijfsdwang van 1 dag voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreedt dan wel subsidiair op straffe van een aan [de vrouw] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreedt, zulks tot een maximum van € 10.000,00;

  2. [de man] te verbieden om zich vanaf de datum van betekening van het ten deze te wijzen vonnis gedurende een jaar, in welke vorm dan ook contact op te nemen met [de vrouw] , persoonlijk en/of via telefoon en/of via sms en/of via WhatsApp en/of via e-mailbericht en/of via telefoons van derden, via chats op sociale media en computergames en/of andere communicatiekanalen en te benaderen en hem te verbieden berichten over en/of gericht aan [de vrouw] te publiceren via Whatsapp, op Facebook, Instagram en overige pagina’s op Internet, en/of andere communicatiekanalen van derden, op straffe van lijfsdwang van 1 dag voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreedt dan wel subsidiair op straffe van een aan [de vrouw] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreden, zulks tot een maximum van € 10.000,00;

  3. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[de man] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[de man] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

III. indien de voorzieningenrechter de vordering van [de vrouw] in conventie

toewijst, [de vrouw] te verbieden om zich vanaf de datum van betekening van het te wijzen vonnis voor de duur van 1 jaar, te bevinden en/of te begeven binnen een straal van 500 meter gemeten vanaf de woning van [de man] , staande en gelegen

te [adres 2], met machtiging aan [de man] om zonodig

met behulp van de sterke arm van Justitie [de vrouw] dit verbod te doen naleven, op straffe van lijfsdwang van 1 dag voor iedere keer dat [de vrouw] dit verbod overtreedt dan wel op straffe van een aan [de man] te verbeuren dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat [de vrouw] dit verbod overtreedt, zulks tot een maximum van € 10.000,-;

IV. indien de voorzieningenrechter de vordering van [de vrouw] in conventie toewijst, [de vrouw] te verbieden om zich vanaf de datum van betekening van het ten deze te wijzen vonnis gedurende een jaar, in welke vorm dan ook contact op

te nemen met [de man] , persoonlijk en/of via telefoon en/of via sms en/of via WhatsApp en/of via e-mailbericht en/of via telefoons van derden, via chats op

sociale media en computergames en/of andere communicatiekanalen te benaderen

en haar te verbieden berichten over en/of gericht aan [de man] te publiceren via WhatsApp, op Facebook, Instagram en overige pagina’s op internet, en/of andere communicatiekanalen van derden, op straffe van lijfsdwang van 1 dag voor iedere keer dat [de vrouw] dit verbod overtreedt dan wel op straffe van een aan [de man] te verbeuren dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat [de vrouw] dit verbod overtreedt, zulks tot een maximum van € 10.000,-;

althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

3.5.

[de vrouw] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

Straat- en contactverbod en machtiging sterke arm

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een straat- en contactverbod zoals [de vrouw] vordert, een ingrijpende maatregel is die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Een straat- en contactverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan [de vrouw] om dat gevaar voor herhaling aannemelijk te maken.

4.3.

[de vrouw] heeft dienaangaande het volgende gesteld.

[de man] stalkt haar, hij betreedt haar woning onrechtmatig, hij heeft persoonlijke spullen uit haar woning ontvreemd (onder andere haar bed, kleding, televisie) en hij rijdt continu door haar straat. Uit berichten blijkt dat hij haar en de woning in de gaten houdt. Indien [de vrouw] [de man] telefonisch blokkeert, probeert hij haar op alle mogelijke manieren te benaderen, waaronder via telefoonnummers van derden. Ook maakte hij bijvoorbeeld 0,1 cent over naar haar bankrekening zodat hij een omschrijving kon vermelden bij de overboeking. Verder stuurt [de man] dreigementen aan het adres van [de vrouw] en aan derden die zij kent. [de vrouw] heeft hierbij verwezen naar productie 4 (zijnde een overzicht telefonische oproepen, screenshots gesprekken en bankafschriften).

[de vrouw] is bang voor [de man] . [de man] wil controle over haar houden. Het is vast komen te staan dat [de man] zijn gedrag ook niet heeft weten te veranderen sinds de BORG training. Daarna is [de man] doorverwezen naar de [kliniek], maar in de periode dat [de man] onder behandeling was bij de [kliniek], hebben al twee keer mishandelingen plaatsgevonden, te weten in april 2026 en in augustus 2026.

Het is van groot belang dat er een contactverbod alsook een straatverbod wordt opgelegd, zodat er rust kan ontstaan in het leven van [de vrouw] .

Vanwege de overvloed aan berichten en de intensiteit waarmee [de man] [de vrouw] lastig valt en belaagt, kan van [de vrouw] niet worden gevergd dat zij een eventuele beslissing ter zake een contactverbod in het strafrechtelijk kader afwacht. Het is niet duidelijk of er in het strafrechtelijk kader een contactverbod wordt opgelegd en ook niet wanneer en/of voor welke termijn dat zal gebeuren.

Het is proportioneel om het contactverbod voor de duur van een jaar te laten gelden.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

[de man] heeft erkend dat zijn gedrag niet goed te praten is en de stellingen van [de vrouw] over het aan hem verweten gedrag niet weersproken. Gelet op het feit dat de reclasseringsambtenaar verklaarde dat er geen strafrechtelijke vervolging plaatsvindt naar aanleiding van de aangifte van verkrachting, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [de man] dat verwijt niettemin ontkent (althans in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft ontkend). De verwijten ten aanzien van mishandeling en – kort gezegd – stalking worden wel als vaststaand aangenomen. [de man] heeft daarover verklaard dat [de vrouw] zelf contact met hem zoekt. In ieder geval uit de dagvaarding, die op 14 september 2026 is betekend, blijkt echter overduidelijk dat [de vrouw] aangeeft geen contact meer te willen met [de man] , maar - zo verklaarde mr. Mans ter zitting - ook daarna is [de man] contact met [de vrouw] blijven zoeken. Ook dit heeft [de man] niet weersproken. Ter zitting heeft reclasseringsambtenaar mw. [persoon 3] verklaard dat partijen extreem grenzeloos gedrag over en weer vertonen. Dit is zijdens [de man] bevestigd. Hoewel de voorzieningenrechter het aannemelijk acht dat [de vrouw] zich in het verleden (ook) niet onbetuigd heeft gelaten, heeft [de man] niet uitgelegd waarom dat een rechtvaardiging zou zijn voor zijn gedrag bestaande uit mishandeling, het ongevraagd aanwezig zijn in de buurt van / bij [de vrouw] en het negeren van het in ieder geval op dit moment duidelijke verzoek van [de vrouw] om te stoppen met het zoeken van contact.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onweersproken onrechtmatig gedrag van [de man] een toewijzing van het straat- en contactverbod rechtvaardigt.

4.5.

Ter zitting heeft mr. Mans het gebied waarvoor het straatverbod dient te gelden nader geconcretiseerd, aldus dat het betreft de straten [straat 1] [de voorzieningenrechter begrijpt: [straat 1]], [straat 2], [straat 3] en [straat 4] en alle straten die zich binnen die kring bevinden. [de man] heeft dit niet weersproken, zodat de voorzieningenrechter dit gebied zal overnemen en het straatverbod dienaangaande zal toewijzen. In het dictum zal de voorzieningenrechter ter verduidelijking een geografische kaart opnemen, waarop de voornoemde straten zijn gehighlight.

4.6.

De gevorderde machtiging om met behulp van de sterke arm het straatverbod te doen naleven zal eveneens als onweersproken worden toegewezen.

4.7.

Ten aanzien van het contactverbod als gevorderd bij petitum sub 2 merkt de voorzieningenrechter op dat het deel daarvan dat ziet op het – kort gezegd – verspreiden van berichten over [de vrouw] zal worden afgewezen. Dat ziet namelijk niet op een contact- of straatverbod en alleen voor die vorderingen is een onderbouwing gegeven.

Lijfsdwang (primair) dan wel dwangsom (subsidiair)

4.8.

[de vrouw] is van mening dat een dwangmiddel noodzakelijk is om het contactverbod effectief te laten zijn en voert daartoe het volgende aan.

[de man] heeft zich eerder niet vrijwillig aan een contactverbod gehouden en hij heeft [de vrouw] gezocht bij alle blijf van mijn lijf locaties die hij kent. Hij heeft haar daar in het verleden ook aangetroffen en meegenomen. [de vrouw] was toen niet opgewassen tegen [de man] en het lukte haar destijds niet om voldoende weerstand te bieden. Het opleggen van een dwangsom zal niet effectief zijn, omdat [de man] een uitkering heeft alsmede een hoge schuldenlast. Daarom moet aan het contactverbod lijfsdwang worden verbonden van één dag per keer dat [de man] zich niet aan het contactverbod houdt.

4.9.

[de man] heeft ter zitting erkend financieel niet draagkrachtig te zijn. Voor het overige heeft [de man] zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter acht een dwangsom opleggen weinig effectief, gelet op de financiële draagkracht van [de man] en op het feit dat [de man] zich al eerder niet aan een opgelegd contactverbod heeft gehouden. Ook nu de primair gevorderde lijfsdwang niet door [de man] is weersproken, en het belang van [de vrouw] het toepassen van lijfsdwang rechtvaardigt, zal de voorzieningenrechter dit deel van het gevorderde toewijzen. Aan de beoordeling van de subsidiair gevorderde dwangsom wordt niet toegekomen.

Proceskosten

4.10.

[de man] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de vrouw] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de man] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [de vrouw] worden begroot op:

  • griffierecht € 93,00

  • salaris advocaat € 1.177,00

  • nakosten € 189,00

TOTAAL € 1.459,00

in reconventie

Spoedeisend belang

4.11.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

Straat- en contactverbod

4.12.

Voor het geval de voorzieningenrechter een straat- en contactverbod in conventie noodzakelijk acht, heeft [de man] de vordering in reconventie ingesteld en daarvoor het volgende aangevoerd.

Een straat- en contactverbod zal wederzijds dient te gelden. Alleen op die wijze kan daadwerkelijk de door beide partijen gewenste rust worden gecreëerd en wordt voorkomen dat partijen over en weer opnieuw contact met elkaar zoeken. Uit het dossier blijkt namelijk dat ook [de vrouw] met regelmaat opnieuw contact met [de man] zoekt. Verwezen wordt naar het verweerschrift van de William Schrikker Groep in de hoger beroepsprocedure tegen een verlenging van de uithuisplaatsing van de dochter van partijen (productie 2), de beschikking van de rechtbank van 11 juni 2026 inzake de verlenging van de OTS en uithuisplaatsing van de dochter (productie 3) en het proces-verbaal van die zitting (productie 4).

Daarbij komt dat ook de nieuwe partner van [de vrouw] via WhatsApp contact heeft opgenomen met [de man] , waarbij hij zich jegens hem zeer bedreigend heeft uitgelaten (productie 5).

Bovendien gedraagt [de vrouw] zich richting [de man] verwijtbaar. Zo heeft zij recentelijk [de man] met een geheime camera in de woonkamer gefilmd, terwijl hij zichzelf zat te bevredigen op de bank. Deze beelden heeft zij vervolgens naar derden verspreid. [de man] heeft hier aangifte van gedaan (productie 6). Op woensdag 16 september 2026 heeft [de vrouw] zelf opnieuw contact opgenomen met [de man] . Daarbij heeft zij zich jegens hem beledigend uitgelaten en hem onder meer uitgescholden voor “achterlijke tyfus debiel” (productie 7). [de man] erkent dat hij in zijn reacties op [de vrouw] evenmin vriendelijk blijft. Dit neemt echter niet weg dat uit dit recente contact opnieuw blijkt dat de problematiek tussen partijen van beide kanten komt en dat ook [de vrouw] het contact met [de man] opzoekt, ondanks de door haarzelf gestelde angst voor [de man] en noodzaak van rust en afstand. De betrokken hulpverlening geeft aan dat sprake is van een situatie die van beide kanten komt en dat partijen elkaar over en weer opnieuw opzoeken. Mede met het oog op het creëren van rust en stabiliteit en op advies van de hulpverlening, acht [de man] het daarom noodzakelijk dat een eventueel straat- en contactverbod wederzijds geldt.

4.13.

Mr. Mans heeft namens [de vrouw] de reconventionele vordering weersproken.. De door [de man] genoemde voorbeelden vonden vrijwel alle plaats voor het verbreken van de relatie althans (naar aanleiding van productie 7 van [de man] ) maken duidelijk dat [de vrouw] wil dat de contacten stoppen, aldus mr. Mans.

4.14.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het duidelijk is dat het voor alle betrokkenen beter zou zijn als de partijen (voorlopig) over en weer geen contact meer zouden zoeken, maar dat biedt geen basis om het gevorderde straat- en contactverbod ten laste van [de vrouw] te kunnen opleggen. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar het in rov. 4.2 uiteengezette toetsingskader. De voorzieningenrechter stelt vast dat [de man] geen enkel voorbeeld heeft gegeven waaruit aannemelijk wordt dat [de vrouw] ongewenst met [de man] contact opneemt of zich in zijn buurt ophoudt. Uit de berichten waarnaar [de man] verwijst (productie 7) wordt voldoende aannemelijk dat [de vrouw] reageert op ongewenst gedrag van [de man] , waarbij [de vrouw] duidelijk maakt dat ze geen contact wil met [de man] . De voorzieningenrechter volgt [de man] dan ook niet in zijn stelling dienaangaande. Het door [de man] aangehaalde voorbeeld waarbij [de vrouw] beelden van [de man] heeft gemaakt met een spycam en deze heeft gedeeld met een of meer derden kan, hoe vervelend ook, niet dienen ter onderbouwing van een vordering tot het opleggen van een straat- en contactverbod. Het is weliswaar onrechtmatig gedrag maar heeft niet te maken met het door [de vrouw] ongewenst contact zoeken met [de man] . Datzelfde geldt voor de gestelde gedrag van de nieuwe partner van [de vrouw] . Gelet op het vooroverwogene zal het gevorderde straat- en contactverbod worden afgewezen.

Proceskosten

4.15.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding [de man] als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten en zal deze - gelet op de verwevenheid met de conventionele vordering - begroten op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

verbiedt [de man] om zich vanaf de datum van betekening van dit vonnis voor de duur van één (1) jaar te bevinden en/of te begeven in het gebied omvattend de [straat 1], de [straat 2], de [straat 4], de [straat 3] te [plaats] (zoals in onderstaande geografische kaart geel is gehighlight) en alle zich binnen de kring van dat gebied bevindende straten, met machtiging aan [de vrouw] om zo nodig met behulp van de sterke arm van Justitie [de man] dit verbod te doen naleven, op straffe van lijfsdwang van één (1) dag voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreedt,

[afbeelding geanonimiseerd]

5.2.

verbiedt [de man] om zich vanaf de datum van betekening van dit vonnis voor de duur van één (1) jaar, in welke vorm dan ook contact op te nemen met [de vrouw] , persoonlijk en/of via telefoon en/of via sms en/of via WhatsApp en/of via e-mailbericht en/of via telefoons van derden, via chats op sociale media en computergames en/of andere communicatiekanalen en te benaderen, op straffe van lijfsdwang van één (1) dag voor iedere keer dat [de man] dit verbod overtreedt,

5.3.

veroordeelt [de man] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [de vrouw] begroot op € 1.459,00,

5.4.

verklaart dit tot zover vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [de man] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [de vrouw] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.