Verbintenissenrecht

Ontruiming verblijfsruimte die om-niet ter beschikking is gesteld door zorginstelling toegewezen. Een private…

Rechtbank Limburg, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
C/03/353164 / KG ZA 26-218
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. R.W Janssen, mr. W.G. Fischer
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:7512
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontruiming verblijfsruimte die om-niet ter beschikking is gesteld door zorginstelling toegewezen. Een private zorginstelling hoeft bij beëindiging van de overeenkomst van bruikleen niet de verplichtingen in acht te nemen die uit hoofde van internationale verdragen op de Nederlandse Staat rusten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/353164 / KG ZA 26-218

Vonnis in kort geding van 23 juli 2026

in de zaak van

STICHTING LEVANTOGROEP,

te Sittard,

eisende partij,

hierna te noemen: Levanto ,

advocaat: mr. R.W. Janssen ,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. W.G. Fischer .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] (door hem aangeduid als verweerschrift) met producties 1 tot en met 5,

- de op verzoek van de voorzieningenrechter door Levanto toegezonden statuten van Levanto ,
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Levanto .

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 14-jarige leeftijd vanuit Angola , waar destijds een burgeroorlog gaande was, naar Nederland gevlucht. [gedaagde] is inmiddels 40 jaar oud.

2.2.

Omdat [gedaagde] als minderjarige uit Angola vluchtte zonder documentatie en hij, ondanks daartoe verrichte inspanningen, nog steeds niet over de benodigde documentatie beschikt, is het hem tot heden niet gelukt om een verblijfsstatus in Nederland te krijgen, terwijl hij ook niet legaal terug kan keren naar Angola .

2.3.

[gedaagde] had vanaf omstreeks 2016 enige jaren, op grond van destijds geldende regelgeving, uit hoofde van opeenvolgende beslissingen van de gemeente Maastricht recht op een voorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het betrof de voorziening maatschappelijke opvang. De ondersteuning waar [gedaagde] op grond van die voorziening recht op had, werd geboden door Levanto en haar rechtsvoorganger. Met Levanto wordt hierna ook die rechtsvoorganger bedoeld.

2.4.

Levanto is een stichting die ten doel heeft het verlenen van goede zorg aan burgers in de geestelijke gezondheidzorg, maatschappelijke opvang en gehandicaptenzorg. Levanto ondersteunt in dat kader mensen met psychische, sociale of maatschappelijke problemen en biedt onder meer voorzieningen als beschermd wonen aan (tijdelijke woonplekken met begeleiding).

2.5.

[gedaagde] heeft vanwege de beschikkingen krachtens de Wmo op 12 december 2017 een begeleidingsovereenkomst gesloten met Levanto . In het kader daarvan werd hem een woning aan [adres 1] ten titel van bruikleen ter beschikking gesteld voor de duur van de zorg/begeleiding.

2.6.

Per 1 oktober 2021 kwam de Wmo-vergoeding van [gedaagde] , (mede) als gevolg van een wijziging in de regelgeving, te vervallen. Hiermee kwam ook een einde aan het recht van [gedaagde] op maatschappelijke opvang in de vorm van wonen, begeleiding en activering.

2.7.

Levanto heeft er in 2021, uit menselijk oogpunt, ondanks het wegvallen van de Wmo-vergoeding voor gekozen om woonruimte en begeleiding ter beschikking te blijven stellen aan [gedaagde] . Per 23 juni 2022 is aan [gedaagde] op grond van een begeleidings- en huurovereenkomst woonruimte ter beschikking gesteld aan [adres 1] . De woning werd om niet aan [gedaagde] ter beschikking gesteld.

2.8.

Levanto heeft begin 2026 besloten dat het bieden van woonruimte (en begeleiding) zonder daaraan ten grondslag liggende beschikking en zonder financiering niet langer houdbaar was en is daarom met [gedaagde] in gesprek gegaan hierover.

2.9.

Het resultaat van gesprekken tussen partijen hierover mondde uit in een op 27 februari 2026 gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst is onder meer overeengekomen dat de begeleidingsovereenkomst tussen [gedaagde] en Levanto eindigt met ingang van 7 februari 2026 en daarmee ook het verblijf van [gedaagde] op [adres 1] . In de vaststellingsovereenkomst is verder overeengekomen dat, bij wijze van overgangsperiode, een bruikleenovereenkomst betreffende woonruimte met [gedaagde] wordt gesloten.

2.10.

In de, eveneens op 27 februari 2026, tussen Levanto en [gedaagde] gesloten bruikleenovereenkomst (hierna: de bruikleenovereenkomst) is bepaald dat Levanto tijdelijk aan [gedaagde] woonruimte gelegen aan [adres 2] (hierna: de woonruimte) in gebruik geeft. Voor dit tijdelijke gebruik is [gedaagde] geen vergoeding verschuldigd.

2.11.

In de bruikleenovereenkomst is, voor zover hier van belang, hierover het navolgende vermeld.

Artikel 3

Duur van de overeenkomst

1. De overeenkomst is aangegaan voor een bepaalde periode, ingaande op 7 februari 2026 en van rechtswege eindigend op 30 april 2026.

Artikel 7

Einde gebruik

1. Bij het einde van de overeenkomst of het gebruik is [gedaagde] verplicht de woning, onder afgifte van alle sleutels, geheel ontruimd (behoudens de in bruikleen gekregen spullen) en schoon aan LEVANTOgroep op te leveren.

2.12.

[gedaagde] is, conform de inhoud van de bruikleenovereenkomst, omstreeks 7 februari 2026 in de woonruimte (aan [adres 2] ) gaan wonen, maar heeft de woonruimte, ondanks sommatie daartoe, (tot op heden) niet verlaten, terwijl hij die op grond van de bruikleenovereenkomst uiterlijk op 30 april 2026 diende te verlaten.

2.13.

[gedaagde] volgt sinds enige jaren een HBO-opleiding en is in de afrondende fase van zijn studie.

2.14.

[gedaagde] is op dit moment nog steeds verwikkeld in een asielprocedure. Op 20 juli 2026 stond er een mondelinge behandeling gepland bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, sector bestuursrecht, die ziet op gevoegde zaken die gaan over respectievelijk opvang voor [gedaagde] en zijn verblijfsstatus (onder aanvoering van de buiten schuld figuur). Deze mondelinge behandeling is echter tot nader order uitgesteld (in afwachting van een bericht van de Angolese ambassade).

3 Het geschil

3.1.

Levanto vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte te ontruimen, met machtiging van Levanto om, bij gebreke van volledige voldoening, de ontruiming zelf te bewerkstelligen op kosten van [gedaagde] . Levanto vordert tevens veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Levanto daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Het spoedeisend belang

4.2.

Dat Levanto een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde is door haar voldoende onderbouwd. Zij heeft daartoe immers aangevoerd dat de vordering ziet op de ontruiming van woonruimte waar [gedaagde] zonder recht of titel verblijft. Levanto heeft in het verlengde daarvan tevens aangevoerd dat het woonruimte betreft die is bedoeld voor mensen met wie zij een begeleidingsovereenkomst heeft op basis van een Wmo-beschikking. [gedaagde] houdt dus een gefinancierde plek bezet die niet door Levanto voor haar doelgroep kan worden ingezet, terwijl er lange wachtlijsten zijn.

Ontruiming toewijsbaar?

4.3.

De ontruiming is volgens Levanto toewijsbaar op grond van de door partijen gesloten bruikleenovereenkomst, die in overleg met de advocaat van [gedaagde] is opgesteld. Gelet op de inhoud van die bruikleenovereenkomst verblijft [gedaagde] immers sinds 1 mei 2026 zonder recht of titel in de woonruimte. Levanto heeft er belang bij dat de woonruimte waar de bruikleenovereenkomst op ziet, zo spoedig mogelijk vrijkomt. Enerzijds omdat zij de woonruimte, uit coulance, in deze bijzondere situatie gratis aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld met de intentie dat dit voor korte duur was. Anderzijds omdat zij de woonruimte niet ter beschikking kan stellen aan mensen die wèl tot de doelgroep behoren, voor wie zij als zorginstantie voorzieningen verstrekt, zoals begeleiding in combinatie met opvang. Deze mensen hebben zorg nodig en staan vaak lang op de wachtlijst. Levanto loopt bovendien ook inkomsten mis, omdat [gedaagde] voor zijn verblijf geen vergoeding betaalt, terwijl Levanto , indien er iemand uit de doelgroep de woning zou betrekken, wèl een vergoeding voor verblijf zou ontvangen. Van (enige) noodzaak tot begeleiding is bij [gedaagde] bovendien ook geen sprake (meer), [gedaagde] volgt al enige tijd een HBO-opleiding. De behoefte aan ondersteuning beperkt zich bij [gedaagde] al lange tijd tot verblijf/opvang. [gedaagde] hoort eigenlijk ook niet in een zorginstelling thuis. In zoverre is [gedaagde] er ook niet bij gebaat dat deze situatie blijft voortduren.

4.4.

[gedaagde] voert hiertegen verweer. [gedaagde] betwist niet dat hij zonder recht of titel in de woonruimte verblijft. [gedaagde] had ten tijde van het sluiten van de bruikleenovereenkomst echter goede hoop dat er binnen afzienbare tijd een oplossing (in de vorm van opvang) zou zijn voor zijn woonsituatie. Dit bleek uiteindelijk tegen te vallen. De verweren van [gedaagde] tegen de ontruiming zijn meer principieel en humanitair van aard. [gedaagde] verwijst in dat verband (onder meer) naar de waarborgen die mensenrechten bieden. Volgens [gedaagde] komt op basis van vaste rechtspraak en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) aan een ieder een basisrecht toe en volgens een aantal rechtbanken is aannemelijk dat het ‘dakloos maken’ een schending van artikel 4 van het Handvest oplevert. [gedaagde] onderkent in dat verband dat het weliswaar de minister is die zorg en opvang moet bieden, maar dat neemt volgens hem niet weg dat de minister, omdat hij dit zelf niet kan, aan organisaties als Levanto moet vragen om dit te doen. Volgens [gedaagde] is Levanto in dit verband ook niet zonder enige plicht, waarbij wordt verwezen naar de statuten van Levanto , in het bijzonder naar artikel 3 van die statuten. De gekozen constructie miskent volgens [gedaagde] ook de lange voorgeschiedenis tussen Levanto en [gedaagde] .

4.5.

Met betrekking tot het beroep van [gedaagde] op de mensenrechten, zoals hiervoor weergegeven, heeft het volgende te gelden. Tussen partijen is niet in geschil dat onder omstandigheden op de Nederlandse Staat de zorgplicht rust om zich ervan te vergewissen dat de beëindiging van voorzieningen die aan een vreemdeling worden verstrekt in overeenstemming is met de eisen die voortvloeien uit artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Die zorgplicht krachtens internationale verdragen rust niet op Levanto als private instelling. Gesteld noch gebleken is dat deze verplichting van de Nederlandse staat door (materiele) wetgeving dan wel door overeenkomst met Levanto is neergelegd bij Levanto . Evenmin is gebleken dat dergelijke verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen op grond van de statuten op Levanto rusten. Het enkele feit dat Levanto taken in het kader van de Wmo uitvoert dan wel dat zij geen commerciële organisatie is, leidt er niet toe dat verplichtingen die krachtens internationale verdragen op de Nederlandse Staat rusten ook door Levanto in acht moeten worden genomen. Nu niet is gebleken dat Levanto gehouden is om jegens [gedaagde] verplichtingen op zich te nemen die krachtens internationale verdragen op de Nederlandse Staat rusten, treft het verweer van [gedaagde] op dit punt geen doel.

4.6.

Ook het verweer van [gedaagde] dat Levanto vanwege de lange geschiedenis tussen partijen gehouden zou zijn de woonruimte aan [gedaagde] ter beschikking te blijven stellen kan niet slagen. De enkele omstandigheid dat Levanto een zorginstelling is, en dat zij [gedaagde] in het verleden ondersteuning heeft geboden, en bij hoge uitzondering uit coulance is blijven bieden, ook toen dit niet meer gegrond was op een Wmo-beschikking, maakt nog niet dat zij gehouden is om die ondersteuning voort te (blijven) zetten.

4.7.

Voor zover [gedaagde] van oordeel is dat uit de redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien dat Levanto , vanwege de duur van de rechtsbetrekking betreffende het ter beschikking stellen van woonruimte, deze rechtsbetrekking niet zonder een redelijke opzegtermijn mag beëindigen, wordt dit verweer verworpen. Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 27 februari 2026 en de daarmee samenhangende bruikleenovereenkomst voor de woning aan [adres 2] , heeft Levanto voldaan aan de eventueel op haar rustende verplichting om een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Door [gedaagde] is niet betwist dat deze overeenkomsten zijn opgesteld in overleg met diens advocaat, zodat het voor hem ook duidelijk was dat hij instemde met beëindiging van de bruikleen van de woning met ingang van 30 april 2026.

4.8.

Ook hetgeen [gedaagde] overigens als verweer heeft gevoerd treft geen doel. Hoewel de situatie waar [gedaagde] in verzeild is geraakt uiterst betreurenswaardig is, neemt dit niet weg dat de gevorderde ontruiming van de woonruimte, gelet op het voorgaande, zal worden toegewezen. [gedaagde] verblijft immers zonder recht of titel in de (tijdelijk om niet in gebruik gegeven) woonruimte en de (humanitaire) verweren van [gedaagde] treffen geen van alle doel.

Termijn ontruiming

4.9.

De voorzieningenrechter zal de termijn voor ontruiming vaststellen op twee maanden. De voorzieningenrechter ziet daartoe aanleiding vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. [gedaagde] verkeert buiten zijn schuld in een situatie waarin hij (i) geen verblijfsstatus krijgt in Nederland (waardoor hij geen inkomsten kan verwerven en zich op de woningmarkt kan begeven), waarin hij (ii) op grond van bestaande wetgeving niet langer aanspraak heeft op opvang als asielzoeker, terwijl hij (iii) niet legaal kan terugkeren naar Angola , omdat hij bij zijn vlucht uit Angola geen documentatie bij zich had en aldus zijn nationaliteit niet vast staat. Ook heeft [gedaagde] , zo heeft hij ter zitting onbetwist gesteld, geen vrienden of familie bij wie hij terecht kan. Dit alles maakt dat de voorzieningenrechter het aangewezen acht om [gedaagde] een langere termijn te gunnen dan de door Levanto gevorderde ontruimingstermijn van 7 dagen, zodat hij alsnog kan trachten een oplossing te vinden voor het wegvallen van de woonruimte. Bij het vaststellen van de die termijn heeft de voorzieningenrechter er ook rekening mee gehouden dat [gedaagde] sinds het sluiten van de laatste bruikleenovereenkomst wist dat zijn verblijf in de huidige woning tijdelijk was en dat hij reeds sinds 1 mei 2026 zonder titel in de woning verblijft.

De proceskosten

4.10.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Levanto worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

126,46;

- griffierecht

€

735,00;

- salaris advocaat

€

1.177,00;

- nakosten

€

189,00;

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

totaal

€

2.227,46.

4.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om Levanto binnen twee maanden na betekening van dit vonnis in het vrije bezit te stellen van de onroerende zaak gelegen aan [adres 2]

, door deze woonruimte geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Levanto op te leveren, met machtiging aan Levanto om, bij gebreke van volledige voldoening hieraan, deze verlating en ontruiming, en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden, zelf te bewerkstelligen op kosten van [gedaagde] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.227,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.