Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 12 augustus 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6735 · Rechtbank Midden-Nederland · 12 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-6735
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2021
- Datum publicatie
- 13 mei 2022
- Zaaknummer
- utr 20-3972
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6735
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
Zittingsplaats Utrecht
Registratienummer: UTR 20/3972
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
wonende te [plaats] , eiser,
gemachtigde: G. Gieben,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder,
gemachtigde:
1 Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op
€ 714.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 10 september 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2021 via Skype for Business. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Herk namens de gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .
2 Overwegingen
1. De woning is een in 1938 gebouwde twee-onder-één-kapwoning met een inhoud van 528 m³, een dakkapel, een vrijstaande garage, een vrijstaande berging en een kavel van 560 m².
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Volgens eiser moet de waarde worden vastgesteld op € 615.000,-. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een taxatierapport overgelegd. Eiser voert aan dat verweerder weliswaar inzicht heeft gegeven in haar KOUDV+L beoordeling, maar daarmee niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de onderlinge verschillen gecorrigeerd zijn. De verkochte objecten [adres] en [adres] onderbouwen een lagere waarde van de woning.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder het indexeringspercentage van de referentieobjecten, alsmede de onderbouwing daarvan, niet inzichtelijk heeft gemaakt.
3. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde van woning niet hoger dan de waarde in het economisch verkeer heeft vastgesteld. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen. Dit volgt uit de artikelen 17 en 18 van de Wet WOZ, de Uitvoeringsregeling en de rechtspraak in woz-zaken.
4. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd, waarin de woning is vergeleken met
- [adres] , verkocht op 3 september 2018 voor € 760.000,-;
- [adres] , verkocht op 28 februari 2019 voor € 632.500,-;
- [adres] , verkocht op 15 februari 2019 voor € 840.000,-;
- [adres] , verkocht op 21 december 2018 voor € 625.000,-; en
- [adres] , verkocht op 31 mei 2019 voor € 725.000,-.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix, en de toelichting die daarop op de zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Met de genoemde referentiewoningen maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en die referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de referentiewoning
[adres] , een woning met een iets kleinere kavel en een iets kleinere inhoud, die vier maanden voor de waardepeildatum is verkocht op € 760.000,-. Ook wordt gewezen op de referentiewoning [adres] , een woning met een weliswaar grotere kavel maar ook met een kleinere inhoud, verkocht op 31 mei 2019 voor € 725.000,-.
Ter zitting is door verweerder toegelicht waarom voor de woning en [adres] aan de ligging een kwalificatie 4 en voor [adres] een kwalificatie 3 is gegeven. Dit heeft te maken met het feit dat achter de oneven nummers vrijwel geen bebouwing is, maar achter de even nummers is wel bebouwing. De rechtbank acht deze toelichting voldoende onderbouwing voor de voor de ligging gegeven kwalificatie.
6. Over het indexeringspercentage overweegt de rechtbank dat uit de door verweerder overgelegde taxatiematrix blijkt dat de verkoopcijfers van de gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Ter zitting is toegelicht dat uit permanente marktanalyse is gebleken dat de waardestijging van deze woningen ongeveer 6% is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de indexering hiermee in aanleg voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft deze onderbouwing niet gemotiveerd bestreden.
7. Uit voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, griffier. De beslissing is uitgesproken op
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.