Belastingrecht
Het object is ten onrechte als woning aangemerkt. De heffingsambtenaar dient een nieuwe uitspraak op bezwaar…
Rechtbank Midden-Nederland, 2 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1410 · Rechtbank Midden-Nederland · 2 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-1410
Zaakgegevens
Op 2 april 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 2 april 2026
- Datum publicatie
- 8 april 2026
- Zaaknummer
- UTR 24/3773
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1410
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het object is ten onrechte als woning aangemerkt. De heffingsambtenaar dient een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen. Het beroep is gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3773
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. W.G. Vos).
Procesverloop
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (het object) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 588.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
12 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van het object verlaagd naar € 580.000,-.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. Eiser, vergezeld door
[A] , de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
2. In geschil is of de heffingsambtenaar het object terecht als woning heeft aangemerkt. Ook de WOZ-waarde van het object is in geschil.
3. Eiser voert aan dat het object aan de [adres] slechts als atelier gebruikt mag worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het object niet als woning gebruikt mag worden verwijst eiser naar de uitspraken van deze rechtbank van 15 januari 2021 en
26 april 2021. In de tussenuitspraak van 15 januari 2021 stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat het gebruik van het atelier als woning in strijd is met het bestemmingsplan. De conclusie in deze uitspraken is dan ook dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen voor wat betreft het gebruik van het atelier als woning.
4. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar het object derhalve ten onrechte als woning heeft aangemerkt. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak op bezwaar zal moeten nemen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Mede omdat ook de WOZ-waarde van het object in geschil is ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf te voorzien in de zaak. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op om een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De door eiser verzochte reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Deze reiskosten stelt de rechtbank vast op € 16,58 (de afstand van het adres van eiser in [plaats] tot het adres van de rechtbank aan de Vrouwe Justitiaplein 1 in Utrecht à 29,6 kilometer voor een enkele reis, maal € 0,28 per kilometer). Eiser komt niet voor meer proceskostenvergoeding in aanmerking omdat hij niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Ook de hotelovernachting komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 16,58;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.