Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 9 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:24 · Rechtbank Midden-Nederland · 9 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-24
Zaakgegevens
Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 9 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 januari 2026
- Zaaknummer
- UTR 24/667
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:24
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ. Gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/667
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(D. Koopmans).
Inleiding
1. In de beschikking van 31 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op
€ 392.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
27 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd tot € 375.000,-.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. De zaak is behandeld op de zitting van 24 december 2025. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
5. De woning is een in 1920 gebouwd appartement met een gebruiksoppervlakte van 41 m2.
Beoordelingskader
6. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
7. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
8. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats 2] , te weten:
-
[adres 2] , verkocht op 21 september 2021 voor € 452.000,-;
-
[adres 3] , verkocht op 14 oktober 2021, voor € 540.000,-;
-
[adres 4] , verkocht op 20 mei 2022, voor € 237.500,-.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om heropening
9. Eiser heeft bij brief van 28 december 2025 een verzoek tot heropening van het onderzoek gedaan, als voorzien in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek namelijk volledig geweest. Bovendien is de heffingsambtenaar het met eiser eens dat de waarde van de woning moet worden verlaagd naar € 280.000,-. De waarde van de woning is hiermee niet meer in geschil. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank merkt daarbij nog op dat eiser ondanks dat hij op de juiste manier is uitgenodigd voor de zitting en hiervan op de hoogte was, niet op de zitting is verschenen. Eiser heeft het nagelaten om aan de rechtbank kenbaar te maken dat hij verhinderd zou zijn. De brief van eiser wordt daarom buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het geschil. Wel voegt de rechtbank het stuk aan het dossier toe.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Dat legt de rechtbank hierna uit.
11. Volgens eiser is de heffingsambtenaar ten onrechte uitgegaan van een gebruiksoppervlakte van 53 m2. Uit de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2025 blijkt namelijk dat de woning ter plekke is ingemeten en de heffingsambtenaar tot de conclusie is gekomen dat de gebruiksoppervlakte van de woning in totaal 41 m2 bedraagt, waarvan 2 m2 dakkapel, 4 m2 entresol en het resterende deel reguliere woonoppervlakte behelst. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat hij het standpunt van eiser kan volgen. Het beroep is volgens de heffingsambtenaar daarom gegrond en verzoekt de rechtbank de waarde in het economische verkeer van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2022 vast te stellen op € 280.000,-.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser een waarde bepleit van € 280.000,-. De rechtbank sluit zich daarom hierbij aan. Gelet op deze overeenstemming verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en verlaagt de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 tot € 280.000,-.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht moet vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
verlaagt de waarde van de woning tot een bedrag van € 280.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022;
-
bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig wordt verminderd;
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
-
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.