Belastingrecht
WOZ. Objectafbakening. Ongegrond.
Rechtbank Midden-Nederland, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6726 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6726
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Datum publicatie
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/532 e.v.
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6726
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ. Objectafbakening. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/532, UTR 25/534 t/m UTR 25/543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: T. Jansen).
Inleiding
1. In de beschikking van 30 november 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waardes van diverse onroerende zaken in Utrecht voor het belastingjaar 2024 naar de waardepeildatum 1 januari 2023 als volgt vastgesteld:
|
Zaaknummer |
Object |
Vastgestelde waarde |
|
UTR 25/532 |
[adres 1] (App. 1) |
€ 176.000,- |
|
UTR 25/534 |
[adres 1] (App. 2) |
€ 201.000,- |
|
UTR 25/535 |
[adres 1] (App. 3) |
€ 389.000,- |
|
UTR 25/536 |
[adres 1] (App. 4) |
€ 189.000,- |
|
UTR 25/537 |
[adres 1] (App. 5) |
€ 200.000,- |
|
UTR 25/538 |
[adres 1] (App. 6) |
€ 282.000,- |
|
UTR 25/539 |
[adres 1] (App. 7) |
€ 278.000,- |
|
UTR 25/540 |
[adres 2] (App. 1) |
€ 206.000,- |
|
UTR 25/541 |
[adres 2] (App. 2) |
€ 208.000,- |
|
UTR 25/542 |
[adres 3] (App. 1) |
€ 195.000,- |
|
UTR 25/543 |
[adres 3] (App. 2) |
€ 257.000,- |
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woningen ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
3 december 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waardes van de woningen gehandhaafd.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met taxatiematrices ingediend.
4. De zaak is behandeld op de zitting van 27 augustus 2026. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [A] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
5. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
6. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waardes van de objecten op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog zijn vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waardes heeft aangevoerd, meewegen.
Beoordeling van het geschil
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de objecten niet te hoog zijn vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrices genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij allemaal in dezelfde buurt zijn gelegen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrices maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de objecten. Met de taxatiematrices heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de objecten en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De stijging van de WOZ-waarde
9. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte de WOZ-waarde van de woningen heeft verhoogd met 55%. Dit is namelijk 33% boven de economische waarde.
De rechtbank overweegt dat volgens de Wet WOZ de waarde van een woning voor elk belastingjaar opnieuw moet worden bepaald aan de hand van de verkoopcijfers van referentiewoningen op of rond de waardepeildatum. Daarbij is de waarde die voor eerdere belastingjaren aan de woning is toegekend niet van belang. Elk belastingjaar kunnen bij de waardebepaling andere referentiewoningen gebruikt worden. Hierdoor is het mogelijk dat er verschillen optreden ten opzichte van een vorig belastingjaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit deze waardestijging niet kan worden afgeleid dat de waarde van de objecten te hoog is vastgesteld.
De objectafbakening
10. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte zich op het standpunt stelt dat de woningen kadastraal gesplitst zijn. Dit is namelijk niet het geval, waardoor de heffingsambtenaar uitgaat van een onjuiste objectafbakening. [adres 1] is bijvoorbeeld een bovenwoning met 7 studio’s en appartementen. De studio’s en appartementen zijn zelfstandig met een eigen afsluitbare toegangsdeur, maar met een gemeenschappelijke essentiële voorziening als stoppenkast en gemeenschappelijke elektra, water en gasmeter. Ook de voordeur aan de straatkant is gemeenschappelijk. De objecten zijn afzonderlijk niet verkoopbaar en in economische zin en waarde zijn ze één geheel.
De heffingsambtenaar heeft hierover toegelicht dat gelet op het bepaalde in artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ wordt voor de toepassing van deze wet als één onroerende zaak aangemerkt een gedeelte van een eigendom dat blijkens zijn indeling bestemd is om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Dat is hier het geval. Het feit dat de stoppenkast en de gemeenschappelijke elektra-, water- en gasmeter gedeeld worden doet daar niet aan af. Elke woning is afzonderlijk afsluitbaar. Artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaalt dat de waarde van de woning wordt bepaald op de waarde die daaraan moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Dit is de zogenoemde overdrachtsfictie waaraan de heffingsambtenaar bij de uitvoering van de Wet WOZ is gehouden. Bovendien is er een inpandige opname uitgevoerd door een medewerker van de BghU. Ook verwijst de heffingsambtenaar ter onderbouwing van zijn standpunt naar de overgelegde plattegronden van de objecten.
De rechtbank is het eens met de uitleg van de heffingsambtenaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar de objecten op de juiste wijze heeft afgebakend. Niet in geschil is dat de woningen zelfstandige objecten zijn met een eigen afsluitbare toegangsdeur. Dat de objecten een gemeenschappelijke stoppenkast, elektra, water en gasmeter delen, doet aan die zelfstandigheid niet af. Verder hebben de feitelijke mogelijkheden of onmogelijkheden om een eigendom in zelfstandige gedeelten te splitsen geen invloed op de objectafbakening en evenmin van belang is of de wooneenheden afzonderlijk kunnen worden verkocht.
De verhuurde staat van de woningen
11. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ontkent dat de economische waarde tussen verhuurde en niet-verhuurde woningen verschilt. De waardebepaling aan de hand van marktcijfers geldt volgens eiser niet voor verhuurde woningen. De heffingsambtenaar verwijst hiervoor naar dat de wetsficties die de Wet WOZ kent. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen huurwoningen en koopwoningen. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Op grond van artikel 17, tweede lid van de Wet WOZ geldt dat bij de waardebepaling moet worden uitgegaan van de fictie dat een onroerende zaak in volle en onbezwaarde eigendom kan worden overgedragen, dus ook al zou dat anders zijn. Daarmee is de omstandigheid dat, zoals eiser heeft gesteld, de objecten worden verhuurd niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Dat een object wordt verhuurd, speelt dus geen rol bij de waardebepaling.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de objecten niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.