Belastingrecht
Schending hoorplicht. Ongegrond.
Rechtbank Midden-Nederland, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6727 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6727
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Datum publicatie
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4549
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6727
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Schending hoorplicht. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4549 en UTR 25/5854
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: S. Akbulut),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: T. Jansen).
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft op 3 juli 2024 de volgende naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting aan eiser opgelegd:
|
Zaaknummer |
Aanslagnummer |
|
UTR 25/4549 |
[aanslagnummer 1] |
|
UTR 25/5854 |
[aanslagnummer 2] |
Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraken op bezwaar van 1 juli 2025 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 augustus 2026. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
2. Het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] stond op 17 juni 2024 geparkeerd in het parkeergebied [straat 1] in [plaats] en op 18 juni 2024 stond dit voertuig geparkeerd in parkeergebied [straat 2] in [plaats] zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan zijn de naheffingsaanslagen opgelegd.
Hoorplicht
3. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. Eiser heeft namelijk om een hoorzitting verzocht en in de ingebrekestelling is de hoorplicht nogmaals expliciet onder de aandacht gebracht. Het indienen van een ingebrekestelling ontheft het bestuursorgaan niet van de verplichting om aan het hoorverzoek te voldoen. Door één dag voor de reeds ingeplande hoorzitting uitspraak te doen, heeft de heffingsambtenaar derhalve in strijd met de hoorplicht gehandeld.
4. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat in de ingebrekestelling dringend wordt verzocht binnen veertien dagen over te gaan tot het doen van uitspraak, waardoor de heffingsambtenaar ervan mocht uitgaan dat de gemaakte afspraak voor de hoorzitting op 2 juli 2025 met het doen van de ingebrekestelling was komen te vervallen.
5. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, alvorens op het bezwaar wordt beslist. In afwijking daarvan bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) dat slechts een hoorzitting plaatsvindt indien een belanghebbende daar om verzoekt. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om gehoord te worden.
6. De eerste hoorzitting was ingepland op 29 april 2025. De gemachtigde van eiser heeft één dag voor deze hoorzitting aangegeven de hoorzittingen met de heffingsambtenaar te staken vanwege de financiële afwikkeling van ingetrokken beroepschriften. Vervolgens is een nieuwe hoorzitting ingepland op 16 juni 2025. Op 12 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiser aanvullende grieven ingediend waarbij gemachtigde aangeeft dat als de grieven niet dienen als hoorzitting vooralsnog om een hoorzitting wordt verzocht. Omdat een schriftelijk stuk niet als een hoorzitting kan gelden is in overleg met gemachtigde een nieuwe (derde) hoorzitting ingepland op 2 juli 2025. Die afspraak is gemaakt op 17 juni 2025 en op dezelfde dag is door de gemachtigde een ingebrekestelling verzonden. De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 1 juli 2025 uitspraak op bezwaar gedaan.
7. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser de eerste geplande hoorzitting heeft afgezegd. Daarna heeft hij ervoor gekozen om schriftelijke grieven in te dienen als hoorzitting, waardoor de tweede geplande hoorzitting ook niet is doorgegaan. Vervolgens heeft de gemachtigde een ingebrekestelling gestuurd terwijl de in overleg geplande hoorzitting op 2 juli 2025 zou zijn, één dag na het verlopen van de 14-dagen termijn. Nu de heffingsambtenaar verschillende pogingen heeft gedaan om een hoorzitting te plannen, had de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank mogen begrijpen dat eiser geen behoefte meer had aan een hoorzitting, maar zo snel mogelijk een uitspraak op bezwaar wilde ontvangen. In deze omstandigheden kan het de heffingsambtenaar niet worden tegengeworpen dat eiser niet is gehoord. Er is dan ook geen sprake van een schending van de hoorplicht.
De naheffingsaanslagen
8. Eiser stelt dat zijn parkeerapp een storing had en daardoor geen parkeerbelasting is geheven. Doordat eiser onbewust op beide dagen heeft geparkeerd onder de veronderstelling dat er wel parkeerbelasting is geheven, kwalificeert het parkeren op beide dagen als één en hetzelfde feit. Inachtneming van het beleid van de heffingsambtenaar is de naheffingsaanslag met nummer [aanslagnummer 1] terecht en aanslagnummer [aanslagnummer 2] niet.
De heffingsambtenaar handhaaft de naheffingsaanslagen in beroep. Als de parkeerapp namelijk niet juist werkt, dient er een parkeerautomaat gebruikt te worden. In [plaats] staan parkeerautomaten altijd binnen redelijke loopafstand van elkaar. In de uitspraak is in de bijlage gewezen op de aanwezigheid van een parkeerautomaat ter plaatse. Dat eiser dat niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar hierover toegelicht dat de naheffingsaanslagen gaan over twee verschillende plekken en tijdstippen, waardoor er geen sprake is van hetzelfde feit.
De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Ten eerste heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn parkeerapp een storing had. Eiser heeft geen schermafbeeldingen overgelegd van foutmeldingen in de parkeerapp of enige andere informatie waaruit de storing blijkt. Mocht de parkeerapp niet werken, ligt het op de weg van eiser om via de parkeerautomaat de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Daarnaast betreffen de naheffingsaanslagen twee verschillende data en tijdstippen. Ook verschillen de locaties. Er is dus sprake van twee afzonderlijke parkeeracties. De heffingsambtenaar heeft daarom rechtmatig twee naheffingsaanslagen opgelegd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.