Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
7 oktober 2020
Datum publicatie
26 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 19/4936
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:4535
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toekenning verzoek PKV.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4936

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. W. Kort),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Verweerder heeft bij brief van 8 januari 2020 gereageerd op dit verzoek. Verweerder ziet geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten, omdat volgens hem het procesbelang ontbreekt.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 5 februari 2019 een besluit genomen. Op 18 maart 2019 heeft verzoekster hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 16 juli 2019 aan verzoekster medegedeeld de beslistermijn met zes weken te verlengen. De uiterlijke datum van de beslissing op bezwaar is 27 augustus 2019. Op 2 september 2019 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Dit beroep is bij de rechtbank op 19 november 2019 binnengekomen. In de beslissing op bezwaar van 10 december 2019 is verweerder teruggekomen op het besluit van 5 februari 2019. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

3. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij geen proceskosten aan haar wil betalen. Volgens verweerder zou het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden wegens het ontbreken van procesbelang, omdat hij hangende het beroep alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen.

5. De rechtbank overweegt dat verzoekster aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb heeft voldaan. Verweerder is namelijk op 2 september 2019 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Vervolgens is het beroepschrift op 19 november 2019 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 10 december 2019 de beslissing op bezwaar heeft genomen. Verweerder heeft dus pas een beslissing genomen op het bezwaar van verzoekster nadat zij beroep heeft ingesteld. De rechtbank geeft verweerder daarom geen gelijk. Verweerder zal dus de proceskosten van verzoekster moeten betalen.

6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,-. De zaak gaat alleen over de vraag of de beslistermijn is overschreden, daarom is de wegingsfactor is 0,5).

7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is op 7 oktober 2020 gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, in aanwezigheid van mr. L.M.A. Koeman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.