Bestuursprocesrecht

Herzieningsverzoek afgewezen omdat de wet het niet mogelijk maakt om de uitspraak op het verzoek om een…

Rechtbank Midden-Nederland, 7 november 2022

Zaakgegevens

Op 7 november 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 november 2022
Datum publicatie
7 november 2022
Zaaknummer
UTR 22/4825
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2022:4405
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Herzieningsverzoek afgewezen omdat de wet het niet mogelijk maakt om de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te herzien. De rechtbank is daartoe onbevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/4825


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 op het herzieningsverzoek van


[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

Inleiding

Op 19 augustus 2021 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/3522.

Bij uitspraak van 1 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster geen griffierecht heeft betaald.

Bij brief van 4 oktober 2021 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om de uitspraak van 1 oktober 2022 te herzien.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder het herzieningsverzoek op een zitting te behandelen.

2. Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:119 van de Awb is herziening slechts mogelijk van onherroepelijke uitspraken zoals bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Awb, en uitspraken van de voorzieningenrechter zoals bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

4. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2021 waar het herzieningsverzoek op ziet, is weliswaar onherroepelijk maar valt niet onder afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 van de Awb. De uitspraak is namelijk gedaan op grond van artikel 8:84, tweede lid, onder b, van de Awb, in samenhang met artikel 8:83, derde lid, van de Awb, nu daarin het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk nietontvankelijk is verklaard. Herziening van de uitspraak van 1 oktober 2021 is daarom niet mogelijk.

5. De rechtbank is dan ook onbevoegd om van het herzieningsverzoek van verzoekster kennis te nemen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.