Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 29 november 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:7211 · Rechtbank Midden-Nederland · 29 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2024-7211
Zaakgegevens
Op 29 november 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 29 november 2024
- Datum publicatie
- 24 december 2024
- Zaaknummer
- UTR 24/1499
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:7211
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT UHT
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1499
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 4 maart 2024 heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 juli 2023 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag.
Bij besluit van 16 november 2022 bepaalde verweerder namelijk dat eiser vooralsnog geen recht had op vergoeding op grond van de Catshuisregeling.
Met het besluit van 23 oktober 2023 heeft verweerder een definitieve herbeoordeling kinderopvangtoeslag verricht. Daarin staat dat eiser eerder € 33.593 heeft ontvangen en nu nog recht heeft op € 450,-.
Met de dwangsombeschikking van 24 januari 2024 heeft verweerder de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiser toegekend, omdat niet op tijd is beslist op zijn bezwaar.
Met het besluit van 25 maart 2024 heeft gereageerd op het bezwaar van eiser van 13 juli 2023, onder verwijzing naar het besluit van 23 oktober 2023, en daarbij aangegeven dat dat bezwaar gegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft een proceskostenvergoeding toegekend.
Op 19 maart 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft zijn beroep op 24 september 2024 ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen in door hem gemaakte proceskosten.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 23 oktober 2023 een besluit genomen. Verzoeker heeft daarna op 24 september 2024 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van de Awb).
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van C.A.A.W. van der Heijden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 november 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: