Bestuursprocesrecht
BNT UHT, n-o, niet ontvankelijk, SGH, CWS, C-VSO
Rechtbank Midden-Nederland, 16 mei 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:2439 · Rechtbank Midden-Nederland · 16 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-2439
Zaakgegevens
Op 16 mei 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 16 mei 2025
- Datum publicatie
- 20 mei 2025
- Zaaknummer
- UTR 25/1897
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2439
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT UHT, n-o, niet ontvankelijk, SGH, CWS, C-VSO
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1897
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Stoel),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 18 december 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
Op 20 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft bij brief van 4 maart 2025 beroep ingesteld, omdat hij stelt dat verweerder
niet tijdig een beslissing op zijn aanvraag heeft genomen.
3. Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiser aanvraag heeft gedaan voor een vergoeding van aanvullende schade via stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Eiser mag in de wachtrij staan bij een andere aanvullende schaderoute, maar de beslistermijn van het verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade wordt dan in beginsel opgeschort. Verweerder neemt aan dat de deelname aan de stichting (Gelijk)waardig Herstel route zal leiden tot een Collectieve Vaststellingsovereenkomst (C-VSO). Hierdoor komt eiser niet meer in aanmerking voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelt dat eiser als gevolg daarvan geen baat meer heeft bij een besluit van de Commissie Werkelijke Schade en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is.
4. De rechtbank heeft in de door verweerder overgelegde stukken de brief van 6 maart 2025 aangetroffen, waarbij eiser wordt bevestigd in de ontvangst van zijn aanvraag voor een vergoeding van aanvullende schade via de stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH).
Met een beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank beoogt eiser om spoedig een besluit af te dwingen. Echter, verweerder kan en zal geen besluit nemen zolang het SGH-traject loopt. Indien dat traject eindigt met een vaststellingsovereenkomst, is verweerder niet meer gehouden alsnog een besluit te nemen op de aanvraag CWS. Eiser kan op dit moment met zijn beroep dus niet de door hem gewenste besluitvorming afdwingen. Daarom heeft eiser geen belang (mee) bij de beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5. Het procesbelang kan herleven indien eiser het traject bij de SGH afbreekt zonder vaststellingsovereenkomst. De rechtbank acht het niet onevenredig bezwarend dat eiser zo nodig op dat moment weer beroep instelt tegen het uitblijven van een beslissing.
6. Omdat eiser zo goed als tegelijkertijd met de aanmelding bij de SGH in beroep is gekomen tegen het uitblijven van een beslissing, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn , rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: