Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 1 augustus 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6084 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 augustus 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-6084
Zaakgegevens
Op 1 augustus 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2025
- Datum publicatie
- 11 november 2025
- Zaaknummer
- UTR 25/3400
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6084
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT WIA aanvraag
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3400
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. K. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 20 januari 2025.
Overwegingen
1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 20 januari 2025. Verweerder moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. Op 10 februari 2025 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan de werkgever van eiseres een loonsanctie is opgelegd. De behandeling van een WIA-aanvraag wordt dan opgeschort. De behandeling wordt weer hervat op het moment dat verweerder vaststelt dat de tekortkoming die heeft geleid tot loonsanctie is hersteld. Dit is gebeurd op 11 april 2025. Op dat moment gaat de resterende beslistermijn weer lopen. De beslistermijn liep daarom af op 16 mei 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling al op 14 mei 2025 heeft ontvangen en de beslistermijn toen nog niet was verstreken. De ingebrekestelling is daarom prematuur ingediend. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb is geen sprake. Dit heeft tot gevolg dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiseres het beroep ten onrechte heeft ingesteld komt zij niet in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: