Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 25 augustus 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7810 · Rechtbank Midden-Nederland · 25 augustus 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-7810
Zaakgegevens
Op 25 augustus 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2025
- Datum publicatie
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/2257
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7810
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2257
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [plaats] , eiser
(gemachtigde: D.K. Bos),
en
het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.M.J. de Braal).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 13 december 2022 om een omgevingsvergunning.
Op 10 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 13 december 2022. Eiser heeft verweerder op
23 december 2024 in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 27 maart 2025, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.
4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat de aanvraag door eiser is ingetrokken bij de brief van 2 februari 2023. Hij stelt dat hij niet meer kan beslissen op de aanvraag en het ingestelde beroep ongegrond is. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de intrekking van de aanvraag het gevolg was van dwaling. Daarnaast heeft eiser de aanvraag niet ingetrokken via het daarvoor bedoelde omgevingsloket.
5. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
6. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb).
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de gegeven beslistermijn nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 385,00 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: