Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 2 april 2026

Zaakgegevens

Op 2 april 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
2 april 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/6623
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3197
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PKV

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/6623

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.D.Z. Asmus),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder,

(gemachtigde: N. le Sage).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 23 oktober 2024 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 12 september 2024.

Op 7 januari 2025 heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 12 september 2024 ingetrokken en geeft hij aan een herziende beslissing op bezwaar te nemen.

Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van zijn proceskosten.

Verweerder heeft op 12 mei 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft aangegeven dat hij een lager bedrag aan proceskosten aan verzoeker wil betalen. Volgens verweerder dient een wegingsfactor van 0,5 toegepast te worden en zijn zij bereid om een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 437,50 uit te keren.

4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank volgt verweerder derhalve niet.

5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.