Bestuursprocesrecht
beroep ingetrokken met pkv
Rechtbank Midden-Nederland, 6 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3357 · Rechtbank Midden-Nederland · 6 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3357
Zaakgegevens
Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 maart 2026
- Datum publicatie
- 16 juni 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/6473
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3357
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep ingetrokken met pkv
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6473
Rectificatie d.d. 24 april 2026, p. 2
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: R. Roos).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 13 maart 2025 en 12 augustus 2025 twee besluiten genomen. Verzoekster is hiertegen in bezwaar gegaan. Verweerder heeft in de beslissing van 8 oktober 2025 de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 ingetrokken en beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.
Op 1 december 2025 is de beslissing op bezwaar gewijzigd. De bezwaren tegen de besluiten van 13 maart 2025 en 12 augustus 2025 worden hiermee toch gegrond verklaard.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een beroep geheel of gedeeltelijk is ingetrokken kan de rechtbank een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb).
3. In deze procedure is een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee tegemoetgekomen is aan het beroep van eiser.
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor wenden tot verweerder.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.