Bestuursprocesrecht

vovo geen griffierecht niet-ontvankelijk

Rechtbank Midden-Nederland, 22 mei 2026

Zaakgegevens

Op 22 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
22 mei 2026
Datum publicatie
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/1552
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3391
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo geen griffierecht niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening van 23 februari 2026 tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2026.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 397,-.

3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.

4. De rechtbank heeft verzoeker op 7 maart 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht uiterlijk binnen twee weken, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan verklaren als verzoeker het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is volgens de track and trace afgehaald bij een PostNL-punt waarbij voor ontvangst is getekend op 25 maart 2026.

5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen reden voor gegeven.

6. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandelen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.

7. Van een proceskostenvergoeding is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van

J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.