Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 21 mei 2026

Zaakgegevens

Op 21 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
21 mei 2026
Datum publicatie
18 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/1579
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3493
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tweede BNT WOO gegrond

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1579

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank van 30 juli 2024 (UTR 24/1271). In die uitspraak is verweerder opgedragen uiterlijk 1 juni 2025 alsnog een besluit bekend te maken waarmee geheel op het Woo-verzoek van eiseres wordt beslist. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat tot heden niet heeft gedaan.

Op 12 maart 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn opnieuw een besluit heeft genomen waarmee geheel op het Woo-verzoek van eiseres wordt beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 10 februari 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken voorbij zijn gegaan.

4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).

5. Verweerder verzoekt in zijn verweerschrift om een langere beslistermijn, namelijk acht weken na verzending van de uitspraak. Gezien het feit dat het Woo-verzoek ruimschoots 2,5 jaar geleden ingediend, ziet de rechtbank geen reden om een langere termijn te bepalen. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak, te meer nu de rechtbank al een eerdere termijn had gesteld die inmiddels bijna een jaar is overschreden.

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).

8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 200,- aan eiseres betalen. Er zijn door eiseres geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken waarmee geheel op het Woo-verzoek van eiseres is beslist;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- dat eiseres heeft betaald, moet betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.