Bestuursprocesrecht

PKV verzoek afgewezen, geen advocaat of professionele juridische hulpverlener

Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/848
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3603
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PKV verzoek afgewezen, geen advocaat of professionele juridische hulpverlener

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/848


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Verzoekster heeft beroep ingesteld op 26 januari 2026, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar handhavingsverzoek van 7 september 2025.

Op 13 februari 2026 heeft verweerder alsnog een besluit heeft genomen op het verzoek.

Verzoekster heeft vervolgens op 7 mei 2026 het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. V

Verweerder heeft niet gereageerd.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 13 februari 2026 tegemoet is gekomen aan verzoekster, zodat verzoekster in beginsel recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht kunnen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener worden vergoed. Omdat verzoekster geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden. Overigens leidt de rechtbank uit het formulier dat verzoekster heeft ingevuld en haar overige berichten af, dat zij alleen verzoekt om vergoeding van het door haar betaalde griffierecht. Voor zover verzoekster toch verzoekt om vergoeding van andere proceskosten, wijst de rechtbank dat verzoek af.

4. Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb bepaalt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.

De griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.