Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 28 januari 2026

Zaakgegevens

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4688
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3631
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WOO PKV afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/4688


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep, dat zij heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Op 10 september 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoekster.

Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding. Op het formulier proceskostenvergoeding heeft zij ingevuld dat zij vergoeding wenst van € 194,- aan griffierecht.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan eiseres) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Verzoekster heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar Woo-verzoek. Met het besluit van 10 september 2025 is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen. In zoverre bestaat in beginsel recht op vergoeding van proceskosten. In dit geval is echter niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van proceskosten daarom afwijzen.

4. Verzoekster heeft met het formulier proceskostenvergoeding verzocht om vergoeding van het door haar betaalde griffierecht. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek, om verweerder te veroordelen voor de vergoeding van de proceskosten, af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).